Contactgegevens T 078 - 79 99 932 078 - 79 99 932

De praktijk in de cijfers van de drie bijzondere rechtsmiddelen in 2017

Cijfers 2017
Het dwangakkoord is populair en het belang ervan groeit nog steeds. Dit blijkt uit de jaarlijkse Monitor Wsnp die onlangs in september openbaar is gemaakt en naar de Tweede Kamer is gezonden. In 2017 werden in totaal 3.917 verzoekschriften voor één van de drie bijzondere voorzieningen Wsnp bij de rechtbanken ingediend: de artikelen 287a Fw, 287b Fw en 287 lid 4 Fw. Met deze drie bepalingen beoogde de wetgever in 2008 het minnelijke schuldhulptraject te versterken. Het aantal ingediende verzoeken om een dwangakkoord is continu toegenomen: Ten opzichte van 2013 met 37% (van 1.796 naar 2.526). Bij de minnelijke moratoria is er in 2017 opnieuw een duidelijke afname van 1.325 in 2016 naar 978 (- 26%). Bij de voorlopige voorzieningen hangende het schuldsaneringsverzoek is ook te zien dat het aantal verzoekschriften continu is afgenomen. In 2017 werden 413 voorlopige voorzieningen aangevraagd, 89 minder dan in het jaar ervoor. Omdat dit rechtsmiddel als “noodverband” vooruitloopt op reeds ingediende verzoeken Wsnp, kan deze continue daling worden verklaard vanuit het eveneens dalende aantal verzoeken schuldsanering. Het totale beroep op de drie bijzondere rechtsmiddelen verandert weinig door de jaren heen: van 4070 verzoekschriften in het jaar 2013 - via 4027 in 2015 - tot 3917 verzoekschriften in het jaar 2017. 

Rechterlijke afdoening
Opvallend bij het dwangakkoord is het hoge percentage intrekkingen: maar liefst 46%. Dit sterke rechtsmiddel heeft een goede precedentwerking, zolang men er natuurlijk alleen ermee dreigt als men het ook kan waarmaken en eventueel wil doorzetten. Het instrument staat of valt met een goede argumentatie, en goede specialisten boeken daar goede resultaten mee. Mogelijk ook dat het risico van een kostenveroordeling voor schuldeisers (steeds vaker in de lagere rechtspraak te onderkennen) reden is om alsnog in te stemmen met een aangeboden voorstel in de minnelijke regeling. Dat gebeurt dan meestal kort voor de zittingsdatum, waarna het verzoek om een dwangakkoord weer wordt ingetrokken. De statistieken nog even: In 33% van de gevallen wordt het verzoek dwangakkoord toegekend, en in 17% van de gevallen wordt het afgewezen. Zelden is het verzoekschrift niet-ontvankelijk. Ook bij de minnelijke moratoria van artikel 287b Fw is het beeld van de afdoeningswijzen wisselend over de jaren heen, waarbij opvalt dat in alle jaren de toekenningen royaal in de meerderheid zijn, namelijk tussen de 64% en 70%. Artikel 287b Fw kent dan ook geen zwaar criterium zoals het dwangakkoord: als situatie x zich voordoet, dan wordt het in beginsel toegewezen. Bij de voorlopige voorzieningen wordt ruim driekwart van de verzoeken toegewezen, oplopend tot bijna 80% over het jaar 2017. 

Verschillen tussen de rechtbanken
Net als in eerdere jaren zien we ook in 2017 aanzienlijke verschillen tussen de rechtbanken bij het aantal verzoeken om een dwangakkoord, moratorium of voorlopige voorziening. Verreweg de meeste verzoeken om een dwangakkoord werden in 2017 bij de rechtbank Amsterdam ingediend: 482 verzoekschriften: het laagste aantal bij de rechtbank Overijssel: 37 op jaarbasis). Ook Den Haag en Rotterdam behandelden in 2017 een groot aantal dwangakkoorden (resp. 554 en 311 verzoeken). Zou het iets populairder zijn in de grote steden ? Bij de minnelijke moratoria valt op dat opnieuw Amsterdam de meeste verzoeken behandelt (219 stuks) met op een goede tweede plaats de rechtbank Rotterdam. De Rechtbank Den Haag krijgt echter opvallend weinig verzoekschriften ex artikel 287b Fw binnen, namelijk slechts 55 op jaarbasis. Bij de voorlopige voorzieningen vallen de rechtbanken Noord-Holland en Noord-Nederland op met 162 resp. 132 verzoekschriften, terwijl dit aantal bij de overige rechtbanken varieert tussen de 2 en 34 verzoekschriften. Hier lijkt een verband te liggen met de wachttermijn voor het reguliere Wsnp-verzoek: bij een korte wachttijd bestaat minder aanleiding voor het overbruggende noodverband van artikel 287 lid 4 Fw, en een verband met goede lokale convenantsafspraken in het minnelijke traject.

Relatieve verschillen in afdoeningswijze
Tussen de rechtbanken onderling bestaan grote verschillen in afdoening. Bij de uitkomsten van de verzoeken dwangakkoord valt op dat in 2017 de rechtbank Limburg in het geheel geen niet-ontvankelijkverklaringen kende als afdoening en dat er bij de rechtbank Oost-Brabant juist relatief veel niet-ontvankelijkverklaringen voorkwamen. Dit hoeft nog niet iets te zeggen over de mate van formalisme (is de rechtbank wel of niet geneigd om ook bij een kleine onvolkomenheid het verzoekschrift niet in behandeling te nemen) maar kan ook te maken hebben met de wijze van aanlevering vanuit het lokale minnelijke traject. Bij de rechtbanken Gelderland en Den Haag werd ongeveer een kwart van het aantal artikel 287a Fw-verzoeken afgewezen. Bij de rechtbank Amsterdam werden veel dwangakkoorden (37%) toegekend, dus los van de 48% intrekkingen daar. Bij de afwijzingen van moratoriumverzoeken vallen de rechtbanken Amsterdam en Noord Holland op door een relatief laag percentage en Midden-Nederland door een relatief hoog percentage afwijzingen. Het aantal afdoeningen van voorlopige voorzieningen is per rechtbank uitgesplitst relatief laag. Alleen bij de rechtbanken Noord-Holland en Noord-Nederland komen voldoende grote aantallen voor (respectievelijk 162 en 132 afdoeningen) om iets over de relatieve verdeling te kunnen zeggen. Deze rechtbanken kennen meer dan 80% van de verzoeken toe, net als Amsterdam waar het totale aantal afdoeningen in 2017 niet hoger was dan 34.

Bron: Monitor Wsnp, veertiende meting, over het jaar 2017, L. Nickel en S. Peters, Utrecht september 2018, blz. 27 t/m 34.

94%

In 94% van de gevallen komen we tot een schuldregeling.

95%

95% van deze schuldregelingen wordt tot een goed einde gebracht.

100 dagen

de gemiddelde duur van onze schuldbemiddeling is 100 dagen.

Scroll naar boven