Contactgegevens T 078 - 79 99 932 078 - 79 99 932

Geen dwangakkoord nu in beschermingsbewind geen beroep is gedaan op publicatie

Kern:
In deze zaak werden zowel het verzoekschrift dwangakkoord als het verzoekschrift schuldsanering afgewezen. Cliënt was ook onder beschermingsbewind geplaatst, en dit was gepubliceerd in het register. De Rechtbank Rotterdam moest constateren dat er diverse schulden waren ontstaan tijdens het beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder van cliënt had geen actie ondernomen ten aanzien van die schulden. Daardoor was in de ogen van de rechters onvoldoende aannemelijk geworden dat het schikkingsvoorstel het uiterste was waartoe cliënt in staat moest worden geacht. Het is dus zaak dat de beschermingsbewindvoerder namens de rechthebbende indien mogelijk jegens de schuldeisers actie onderneemt, wil een later verzoek dwangakkoord een goede kans van slagen hebben.

Procedureel.
Cliënt heeft op 2 augustus 2018, naast een verzoek schuldsanering, een verzoek dwangakkoord ingediend om een schuldeiser die weigert mee te werken aan een door cliënt aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. De weigerende schuldeiser heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend. Ter zitting van 18 september 2018 zijn verschenen en gehoord: de schuldhulpverleenster, de beschermingsbewindvoerder en de weigerachtige crediteur. Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft cliënt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.

De aangeboden schuldregeling
Cliënt heeft volgens het ingediende verzoekschrift veertien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 10.478,03 te vorderen. Cliënt heeft bij brief van 19 april 2018 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 14,29% tegen finale kwijting. Het aangeboden akkoord is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van cliënt is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage door middel van een saneringskrediet in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Ter terechtzitting heeft de schuldhulpverlening verklaard dat cliënt niet werkt en vermoedelijk is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting door de uitkerende instantie. Cliënt heeft een beperking en een zgn. dagbestedingsindicatie; zij woont 24 uur begeleid. Dertien schuldeisers hebben met de aangeboden schuldregeling ingestemd. Eén crediteur stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 645,95 op cliënt. De weigerende crediteur heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het volledige bedrag van de vordering wenst te ontvangen. Cliënt heeft in de periode 2013-2014 in totaal 39 autorijlessen gehad en heeft daarvan een bedrag van € 645,95 onbetaald gelaten. De weigerende crediteur is een eenmanszaak en heeft in het kader van de autorijlessen kosten gemaakt die niet worden gecompenseerd met het aangeboden bedrag. Dat andere schuldeisers met het voorstel hebben ingestemd, doet daar niet aan af. De weigerende crediteur heeft er geen bezwaar tegen als cliënt de volledige vordering in termijnen betaalt.

Uitgangspunten van de Rechtbank
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de weigeraar vast. De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de weigerende crediteur in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van cliënt of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Op 9 februari 2015 zijn alle goederen van cliënt onder beschermingsbewind gesteld. Uit de beschikking blijkt dat het beschermingsbewind is geregistreerd in het openbare curatele – en bewindregister (CCBR). Op de schuldenlijst van verzoekster staan 10 schulden (van de 14) die ontstaan zijn na het uitspreken van het beschermingsbewind. Ingevolge artikel 1:440 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen schulden, die voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 1:438 lid 2 BW (= medewerking bewindvoerder of machtiging kantonrechter) verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, niet op de onder bewind staande goederen worden verhaald. Het einde van het bewind brengt hierin overigens geen wijziging, dus de verhaalsaanspraken van die schuldeisers herleven dan niet.

Uitleg uit de Memorie van Toelichting.
In de parlementaire geschiedenis is het volgende opgemerkt over deze bepaling artikel 1:440 BW, die het aangaan van nieuwe schulden tijdens het bewind zou moeten inperken: “Door de publicatie wordt verondersteld dat schuldeisers hadden kunnen weten van het bewind. Zij kunnen zich dan niet verhalen op de onder het bewind gestelde goederen van de rechthebbende.” (TK 2011-2012, 33054, nr. 3 , p. 29). En tevens de volgende passage: “Artikel 440 vrijwaart de rechthebbende slechts van verhaal door schuldeisers die niet «te goeder trouw» zijn zolang het bewind van kracht is. Zodra het bewind is geëindigd herleeft het recht van dergelijke schuldeisers. Een mogelijk gevolg hiervan is dat de rechthebbende het wenselijker acht het bewind te laten voortduren terwijl hij weer wel in staat kan worden geacht zelf zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk te behartigen. Bovendien kunnen de erfgenamen van de rechthebbende met verhaal door deze schuldeisers worden geconfronteerd in het geval het bewind door de dood van de rechthebbende is geëindigd. Voorgesteld wordt daarom de beperking van de verhaalsmogelijkheid van schuldeisers niet te goeder trouw tot «gedurende het bewind» in artikel 440, eerste lid, te doen vervallen. Dit betekent dat dergelijke schuldeisers voortaan ook na het bewind voor schulden die voortkomen uit hun handelingen tijdens het bewind verricht geen verhaal kunnen nemen.(TK 2011-2012, 33054, nr. 3 , p. 34).

Het eindoordeel van de Rechtbank.
De Rechtbank stelt vast dat de beschermingsbewindvoerder jegens geen van de betreffende schuldeisers een beroep heeft gedaan op deze bepaling. Zou de beschermingsbewindvoerder dit wel met succes hebben gedaan, dan zouden de betreffende schulden niet (allemaal) betrokken hoeven te zijn in de minnelijke schuldregeling. In dat geval zou – uitgaande van het ter beschikking gestelde saneringskrediet – het aanbod aan de overige schuldeisers dus hoger geweest kunnen zijn. Dat betekent dat het minnelijke aanbod niet het spreekwoordelijke onderste uit de kan is. De Rechtbank zegt het niet, maar niet uit te sluiten valt dat artikel 1:440 BW nog niet bij iedere beschermingsbewindvoerder goed bekend is. Het is wel een van de kerntaken van een professionele beschermingsbewindvoerder om de schuldenlast te stabiliseren en daar hoort natuurlijk bij het zoveel mogelijk tegengaan van het (laten) ontstaan van nieuwe schulden.

De vergelijking met de situatie dat cliënt zou zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling kan in de motivering van het vonnis buiten beschouwing blijven, omdat de Rechtbank bij afzonderlijke uitspraak beslist dat cliënt niet voldoet aan de vereisten voor toelating. Er zijn immers schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan en er is niet gebleken van een wending ten goede. Dit leidt tot het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het voorstel het uiterste is waartoe cliënt in staat moet worden geacht. Daarom is de Rechtbank van oordeel dat de belangen van verweerster als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om de weigerende crediteur te bevelen in te stemmen met de door cliënt aangeboden schuldregeling wordt afgewezen.

Bron: Rechtbank Rotterdam 25 september 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:9412

94%

In 94% van de gevallen komen we tot een schuldregeling.

95%

95% van deze schuldregelingen wordt tot een goed einde gebracht.

100 dagen

de gemiddelde duur van onze schuldbemiddeling is 100 dagen.

Scroll naar boven