Contactgegevens
T 078 - 79 99 932 078 - 79 99 932

Geen hoger beroep tegen toelatingsvonnis

Kern:
Er bestaat geen hoger beroep tegen een vonnis waarbij men wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. En waarom zou je dat überhaupt willen, je verzoek is toch gehonoreerd? Het punt was: de echtgenoot van mevrouw had ook een schuldsaneringsverzoek gedaan, maar werd niet toegelaten, en mevrouw zelf dus wel. Zij wilde graag samen met haar man in de schuldsanering - niet alleen, nu ze gehuwd zijn in gemeenschap van goederen. Het Hof oordeelt dat een dergelijk beroep op grond van art. 292 lid 2 Fw niet-ontvankelijk is. Nu is een wettelijke uitsluiting van de mogelijkheid van hoger beroep nooit absoluut, volgens de procesrechtelijke jurisprudentie. Maar dat de rechtbank mevrouw niet heeft gevraagd of zij haar schuldsaneringsverzoek wil handhaven indien haar echtgenoot niet wordt toegelaten, is geen reden om het appelverbod te doorbreken.

Het liefste samen uit, samen thuis
A heeft gelijktijdig met haar echtgenoot bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek gedaan tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij vonnis van de rechtbank van 12 juli 2019 is ten aanzien van A de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van diezelfde datum is het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van haar echtgenoot afgewezen. A gaat bij het hof (voorwaardelijk) in hoger beroep van het vonnis en haar echtgenoot eveneens. Omdat haar echtgenoot ook in hoger beroep niet wordt toegelaten tot de regeling, verzoekt A haar toelatingsvonnis te vernietigen en het alsnog af te wijzen, met aantekening dat zij nooit is toegelaten tot de schuldsanering. Zij wil kortom uitsluitend samen met haar echtgenoot worden toegelaten en als dat niet mogelijk is, wil zij te boek staan als nooit in de schuldsanering te hebben gezeten. Zij zijn in gemeenschap van goederen getrouwd en zij ontvangt samen met haar echtgenoot een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. De goederen die aan hen samen toebehoren staan onder beschermingsbewind. Deze bewindvoerder is in januari 2015 benoemd tot beschermingsbewindvoerder van beide echtgenoten. Bij de mondelinge behandeling is naast een advocaat ook de beschermingsbewindvoerder verschenen, maar zoals aangekondigd de (pril benoemde) schuldsaneringsbewindvoerder niet.

Uitzondering op appelverbod mogelijk?
Op grond van artikel 292 lid 2 Fw kan tegen de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling geen hoger beroep worden ingesteld. Maar een appelverbod geldt nooit absoluut. Doorbreking van het appelverbod is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie Hoge Raad 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989, NJ 1986, 2421 en Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6342) slechts mogelijk in drie typen gevallen, namelijk indien blijkt dat (a) de rechter een artikel ten onrechte heeft toegepast; (b) de rechter een artikel ten onrechte niet heeft toegepast, of (c) sprake is van een essentieel vormverzuim.

De verzoeken van mevrouw en meneer zijn bij de rechtbank gezamenlijk behandeld. Tijdens die zitting is de mogelijkheid dat één van hen wel en de ander niet tot de schuldsanering zou worden toegelaten niet aan de orde gekomen. Pas nadat de vonnissen waren uitgesproken was voor mevrouw duidelijk dat zij wel was toegelaten tot de regeling en haar echtgenoot niet. Het hof is van oordeel dat de rechtbank, door aan mevrouw niet te vragen of zij haar schuldsaneringsverzoek zou willen handhaven indien haar echtgenoot niet zou worden toegelaten tot de regeling, geen essentieel vormverzuim heeft begaan. De wet geeft immers de mogelijkheid dat één van de echtgenoten wel tot de schuldsanering wordt toegelaten en de ander niet. De enkele omstandigheid dat tussen echtgenoten een gemeenschap van goederen bestaat (waardoor gezien artikel 63 en 313 Fw de schuldsanering van een echtgenoot wordt behandeld als schuldsanering van de gehele tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap), brengt niet mee dat de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot, ook moet leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere echtgenoot (zie Hoge Raad 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6933). Indien beide echtgenoten om schuldsanering verzoeken, dient voor ieder van hen individueel te worden bezien of daartoe voldoende aanleiding bestaat. Wat voor de een geldt, geldt niet perse ook voor de ander. Daarbij hadden mevrouw en meneer zich natuurlijk wel op voorhand kunnen realiseren dat de strafrechtelijke veroordeling van meneer in 2016 voor hem aan een Wsnp-toelating in de weg zou kunnen staan.

Niet goed voorbereid en geïnformeerd
Het Hof zegt het niet, maar hier ligt natuurlijk ook een taak voor de minnelijke schuldhulpverlening om een echtpaar van tevoren te informeren over hun kansen in een Wsnp. De wet bevat geen plicht voor de rechter om zich ervan te vergewissen dat de schuldenaar zijn verzoek schuldsanering zal handhaven in het geval het verzoek van de echtgenoot wordt afgewezen. Dat is trouwens wel zo in de situatie dat de rechter een verzoek dwangakkoord (artikel 287a Fw) afwijst. In dat geval volgt uit artikel 287a lid 7 Fw dat de rechter pas beslist op het schuldsaneringsverzoek indien is gebleken dat de schuldenaar dat verzoek handhaaft (vgl. Gerechtshof Den Haag 23 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4109).

Complicerend voor het beschermingsbewind
De beschermingsbewindvoerder geeft aan dat door het feit dat mevrouw wel is toegelaten tot de regeling en haar echtgenoot niet, een (praktisch) onwerkbare situatie zal ontstaan in het bewind. Moeilijker wordt dat zeker, maar het levert geen grond op voor doorbreking van het appelverbod. Bovendien heeft de schuldsaneringsbewindvoerder aangegeven dat zij het betoog van de beschermingsbewindvoerder niet kan onderschrijven. Volgens de schuldsaneringsbewindvoerder hoeven onder meer niet twee aparte bankrekeningen te worden geopend en zal de boedelafdracht gelijk zijn aan het inkomen van mevrouw en meneer gezamenlijk, minus het vrij te laten bedrag. Indien er beslag wordt gelegd op het inkomen van meneer – die dus niet in de schuldsanering zit – dan zal daar rekening mee worden gehouden, aldus de schuldsaneringsbewindvoerder.

Een langer gezamenlijk saneringstraject
Indien meneer in de toekomst ook zal worden toegelaten tot de schuldsanering (bijvoorbeeld na verstrijken van de vijfjaarstermijn van art. 288 Fw), dan zullen mevrouw en meneer langer dan de gebruikelijke drie jaar worden geconfronteerd met de verplichtingen uit de schuldsanering, waaronder de boedelafdracht. Maar ook dat levert geen reden op – aldus het Hof – om mevrouw toch ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep. Daarbij geldt bovendien dat de situatie van mevrouw en meneer in die zin niet verschilt van andere in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten die niet tegelijkertijd zijn toegelaten tot de schuldsanering, welke mogelijkheid de wet nu eenmaal biedt met het stelsel van een individuele beoordeling. Mevrouw is dus niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7308

94%

In 94% van de gevallen komen we tot een schuldregeling.

95%

95% van deze schuldregelingen wordt tot een goed einde gebracht.

100 dagen

de gemiddelde duur van onze schuldbemiddeling is 100 dagen.

Scroll naar boven