Contactgegevens T 078 - 79 99 932 078 - 79 99 932

Herhaald beschermingsbewind bij dreiging van problematische schulden

Kern:
Beslissing op verzoek instelling meerderjarigenbewind. De goederen van rechthebbende zijn eerder onder bewind gesteld, maar dat bewind is mei 2017 opgeheven op eigen verzoek van de rechthebbende die vastberaden was om zelf weer haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Dat is helaas niet goed uitgepakt. Grond voor onderbewindstelling is dit keer echter niet een lichamelijke of geestelijke toestand, en evenmin is al sprake van problematische schulden of verkwisting. Er bestaat geen schriftelijke medische verklaring betreffende lichamelijke/geestelijke toestand. Wel bestaat de vrees dat de rechthebbende op korte termijn in een positie komt te verkeren dat sprake is van “het hebben van problematische schulden”. De Kantonrechter besluit gemotiveerd toch tot toewijzing van het verzoek tot onderbewindstelling, en wel voor onbepaalde tijd. De wet biedt een grondslag voor een dergelijk “preventief” schuldenbewind in lid 3 van artikel 431 Boek 1 BW.

Wat was de casus?
Het verzoek op 2 januari 2018 strekt tot de instelling van een bewind over de goederen van rechthebbende. Als reden wordt aangevoerd dat rechthebbende niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen als gevolg van schulden. Bij beschikking van 6 februari 2012 waren de goederen van rechthebbende eerder onder bewind gesteld. De kantonrechter overwoog in die beschikking - onder de op dat moment geldende wetgeving- : “Hoewel het hebben of laten ontstaan van schulden op zich niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een geestelijke toestand die noopt tot de instelling van een beschermingsbewind, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat rechthebbende door de voortdurende schuldenlast in een toestand is komen te verkeren als gevolg waarvan zij niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.” Bij beschikking heeft de kantonrechter dit bewind opgeheven met ingang van 1 mei 2017. De kantonrechter overwoog dat rechthebbende geen schulden (meer) had, en dat de oorzaak die destijds tot instelling van het bewind leidde daarmee kwam te vervallen. Rechthebbende was ter zitting vastberaden gebleken om weer zelf haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. De kantonrechter hief daarom, ondanks geuite twijfels daarbij, het bewind per 1 mei 2017 op. Een eerder opheffingsverzoek van rechthebbende werd overigens bij beschikking van 6 februari 2016 door dezelfde kantonrechter nog afgewezen. Thans wendt rechthebbende zich opnieuw tot de kantonrechter. Zij voert hierbij aan dat “het zelf weer oppakken” niet goed heeft uitgepakt. Zij heeft met maatschappelijk werk opnieuw een beschermingsbewindvoering besproken “ter voorkoming van verder onheil.” Haar vorige (professionele) bewindvoerder heeft zich opnieuw schriftelijk bereid verklaard om als beschermingsbewindvoerder te gaan optreden. Tijdens de mondelinge behandelingen van het verzoek op 20 februari en 29 maart 2018 blijkt dat rechthebbende op dit moment wel betalingsachterstanden heeft maar dat deze schulden qua hoogte (nog) niet zijn aan te merken als “het hebben van problematische schulden”.

Standpunten beoogd beschermingsbewindvoerder en maatschappelijk werker.
De voorgestelde bewindvoerder denkt dat het gedrag van rechthebbende wellicht aan te merken is als “verkwisting”, zij leent volgens hem immers geld maar betaalt haar rekeningen vervolgens niet. De kantonrechter deelt laatstgenoemde mening van de voorgestelde bewindvoerder echter niet. De wet geeft in artikel 1:431, lid 1 sub b BW geen inhoudelijke omschrijving van deze grond maar bedoeld wordt hier volgens de kantonrechter “een voortdurende, door de spilzieke veroorzaakte wanverhouding tussen inkomsten en uitgaven welke maatschappelijk gezien niet verantwoord is.” Deze wettelijke grond is naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de orde.

De maatschappelijk werker voert aan dat het goed ging met rechthebbende toen zij nog onder bewind stond. Nu gaat het volgens hem weer mis. Mevrouw raakt geld kwijt, vraagt aan andere mensen om geld en maakt verkeerde (financiële) keuzes. Op de vraag van de kantonrechter wat hier de oorzaak van is, krijgt hij geen deugdelijk antwoord. De maatschappelijk werker verwijst naar een opname door de GGZ ongeveer een jaar geleden. Mevrouw reageert hierop direct met de opmerking dat deze opname niets met de onderhavige problematiek van doen heeft. Dit is volgens haar verleden tijd. De kantonrechter stelt vast dat geen enkele schriftelijke medische verklaring voorhanden is waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat zij vanwege haar lichamelijke en/of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zou zijn om ten volle haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen.

Vrees voor problematische schulden.
Samengevat heeft kantonrechter geconcludeerd dat er kennelijk geen duidelijk aantoonbare oorzaak bestaat, als bedoeld in de wet, waarom rechthebbende niet in staat blijkt om haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Zowel de voorgestelde bewindvoerder als ook de voormelde maatschappelijk werker vrezen echter dat wanneer het verzoek zou worden afgewezen, rechthebbende op korte termijn in een positie komt te verkeren dat wel sprake is van “het hebben van problematische schulden”. De kantonrechter deelt deze vrees. Er is naar het oordeel van de maatschappelijk werker onvoldoende financiële stabiliteit bij rechthebbende. Voorts beschikt rechthebbende op dit moment niet over voldoende kennis en vaardigheden om hierin verandering in aan te brengen. Gelet op deze situatie en mede gelet op het feit, dat rechthebbende zelf verzoekt om haar goederen onder bewind te stellen, zal de kantonrechter het verzoek hierna toch inwilligen.

Beslissing: Bewind voor onbepaalde tijd
De kantonrechter stelt een bewind in over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan rechthebbende op grond van het feit dat rechthebbende tijdelijk niet voldoende in staat is om zelf ten volle haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Anders dan rechthebbende graag wenst, zal de kantonrechter dit bewind niet instellen voor bepaalde tijd maar voor onbepaalde tijd. Aannemelijk is dat voor de kantonrechter het “knipperlicht-karakter” van dit bewind hierbij meespeelt, en dat de kantonrechter zoekt naar meer zekerheid voor duurzame stabiliteit. De kantonrechter benadrukt dus dat rechthebbende zelf eerst zal moeten aantonen dat zij weer voldoende in staat is om haar financiële belangen ten volle te behartigen. Duidelijk is dat rechthebbende zelf daartoe voldoende kennis en vaardigheden zal moeten verwerven en dat zij ook zelf moet zorgen voor voldoende persoonlijke stabiliteit. De kantonrechter wijst op het belang om het door bewindvoerder en door rechthebbende opgestelde en ondertekende “plan van aanpak bewind” op een goede wijze na te komen/uit te voeren. Ter zitting is de kantonrechter gebleken dat rechthebbende nog in staat is om zelf aan de bewindvoerder toestemming te geven voor het doen van beschikkingshandelingen. Rechthebbende wordt in staat geacht de rekening en verantwoording ter goedkeuring te ondertekenen.

Beschermingsbewindvoerder
Tegen de voorgestelde bewindvoerder zijn geen bezwaren gerezen, en ambtshalve is vastgesteld dat deze professionele bewindvoerder benoembaar is, want voldoet aan de kwaliteitseisen (Besluit kwaliteitseisen Curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren, Stb. 2014,46). De kantonrechter volgt met deze benoeming de uitdrukkelijke voorkeur (artikel 1:435, lid 3 BW) van rechthebbende. De beloning van de bewindvoerder voor de aanvangswerkzaamheden wordt vastgesteld op € 519,40 (excl. BTW). Omdat (nog) geen sprake is van problematische schulden zal de kantonrechter de jaarbeloning van de bewindvoerder, inclusief onkosten en exclusief omzetbelasting, vaststellen ex artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Op grond van artikel 1:391 BW zal deze uitspraak door de griffier worden ingeschreven in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister.

Beschermingsbewind ook preventief
Tamelijk onbekend is nog steeds de mogelijkheid van het „preventieve“ beschermingsbewind op grond van lid 3 van artikel 431 Boek 1 BW. De bekende maatstaf voor het instellen van een bewind staat vermeld in lid 1 van Artikel 1:431 BW : Tijdelijk of duurzaam niet meer in staat zijn om de eigen vermogensrechtelijke belangen ten volle naar behoren te behartigen, als gevolg van hetzij a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel b. verkwisting of het hebben van problematische schulden . Deze sub b. grond bestaat sinds de wetswijziging van 1 januari 2014, en heeft in feite het al langer bij sommige kantongerechten bestaande “schuldenbewind” gecodificeerd. Voor beide grondslagen moet de kantonrechter een bepaalde bestaande toestand constateren. Dat is fundamenteel anders indien de grondslag van het derde lid wordt gekozen, want daar gaat het om een gegronde toekomstverwachting. Het beschermingsbewind kan zo ook op een preventieve wijze worden ingezet. Lid 3 luidt: “Het bewind kan eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat de rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren. Deze verwachting kan dus betrekking hebben zowel op de sub a. grond als op de sub b. grond. Ook dit derde lid is met de wijzigingswet van Staatsblad 2013, 414 aan artikel 431 van Boek 1 BW toegevoegd per 1 januari 2014.

Lid 3 en de parlementaire toelichtingen
In de memorie van toelichting (TK 2011-2012, 33054, nr. 3, p. 30) is hieromtrent het volgende opgemerkt: “Het nieuwe derde lid van artikel 431 beoogt het mogelijk te maken dat een rechthebbende zelf onderbewindstelling kan verzoeken omdat hij voorziet dat hij binnen afzienbare tijd in een toestand verkeert dat hij niet langer in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen, bijvoorbeeld in geval van voortschrijdende dementie. Deze bepaling is ontleend aan artikel 450, derde lid. In overeenstemming met de mentorschapsbepalingen wordt in onderdeel N voorgesteld te bepalen dat het verzoek op deze grond uitsluitend door de rechthebbende kan worden gedaan. Indien de rechthebbende zelf om onderbewindstelling vraagt, en vaststaat dat dit geheel uit vrije wil en goed geïnformeerd geschiedt, mag worden aangenomen dat aan de voor instelling geldende wettelijke grond wordt voldaan. Het vereiste van «binnen afzienbare tijd» zal in de regel inhouden dat de toestand zich binnen de termijn van ten hoogste één jaar voordoet. Wordt in deze situatie een beschermingsbewind ingesteld, dan gaat het bewind in op het door de rechter aangegeven tijdstip (zie artikel 434, tweede lid, eerste volzin).” Men behoeft dus met een aanvraag schuldenbewind - en evenzo met een aanvraag voor “klassiek” beschermingsbewind - niet te wachten totdat de lichamelijke of geestelijke toestand dan wel een problematische schuldensituatie intreedt. Dat laatste sluit aan bij het verzoekschrift wettelijke schuldsanering. Ook daar kan een gegronde toekomstverwachting voldoende zijn voor een succesvolle aanvraag. Deze parallel is door de wetgever bewust gekozen, aldus de Nota naar aanleiding van het Verslag (TK 2011-2012, 33054, nr. 6, p. 10): “Met «het hebben van problematische schulden» wordt gedoeld op een situatie als beschreven in artikel 284 Fw. Een natuurlijk persoon kan volgens artikel 284 Fw een schuldsaneringsverzoek doen, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of indien hij (reeds) in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.”

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, cluster III insolventie en kanton beheerszaken Bergen op Zoom 19-04-2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:2931

94%

In 94% van de gevallen komen we tot een schuldregeling.

95%

95% van deze schuldregelingen wordt tot een goed einde gebracht.

100 dagen

de gemiddelde duur van onze schuldbemiddeling is 100 dagen.

Scroll naar boven