Contactgegevens T 078 - 79 99 932 078 - 79 99 932

Medewerking schuldenaar van belang voor succesvolle schuldhulpverlening

Kern:
Een debiteur behoort actief mee te werken om de slagingskans van een minnelijk schuldhulptraject te vergroten, net zoals in een schuldsaneringsprocedure. Men moet zich immers ook laten helpen en daar zelf iets aan willen bijdragen. Als een constructieve medewerking ontbreekt dan wordt iedere hulpverlening zinloos, zo blijkt uit een uitspraak van de Raad van State als hoogste bestuursrechter. Essentie is dat wie niet bereid is om in een instabiele situatie beschermingsbewind aan te vragen als ondersteunende maatregel, dat diegene uit de schuldhulpverlening mag worden verwijderd. De algemene medewerkingsplicht van artikel 7 Wgs houdt dus ook in dat de betrokkene zich inzet voor een flankerende aanvraag beschermingsbewind.

Onvoldoende nakoming inlichtingen- en medewerkingsplicht.
Bij besluit van 9 september 2014 heeft het dagelijks bestuur van de gemeente een aanvraag van schuldenaar om schuldhulpverlening afgewezen. De gemeente is een zgn. openbaar lichaam in de vorm van een gemeenschappelijke regeling van enkele gemeenten met als taak de uitvoering van wetten waaronder ook de Wgs. Het dagelijks bestuur is te vergelijken met een College van B&W (maar dan voor de uitvoering van specifieke regelingen). Bij besluit van 22 december 2014 heeft het bestuur het door schuldenaar gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Schuldenaar heeft volgens het bestuur zijn inlichtingenplicht en medewerkingsplicht geschonden door een aantal gedragingen: Bij zijn aanvraag voor schuldhulp deed schuldenaar een opgave (zonder bedragen te noemen) van een schuld bij het CJIB, de belastingdienst, het CVZ, de gerechtsdeurwaarder van de verhuurder en de gemeente. De bewijsstukken zijn compleet gemaakt door de beoogde beschermingsbewindvoerder. Tot februari 2014 werd de huur- en zorgtoeslag betaald aan schuldenaar zelf, ondanks herhaalde schriftelijke en mondelinge verzoeken over de noodzaak tot betaling op de nieuwe (schuldhulp)bankrekening. Na het aangaan van de overeenkomst ontstonden drie nieuwe niet saneerbare CJIB-vorderingen, en in de loop van het traject werd bekend dat er nog drie (oorspronkelijke) schuldeisers waren. Schuldenaar kwam afspraken niet na, hij vergat belangrijke zaken en hij was onvoldoende bereikbaar. Op 8 juni 2014 werd schuldenaar in hechtenis genomen in België. Hij heeft nooit melding gemaakt van dit feit. Schuldenaar verscheen ook niet op de afspraak om het verzoekschrift ter voorkoming van de huisontruiming te ondertekenen en te voorzien van relevante bijlagen.

Aanvraag beschermingsbewind niet doorgezet.
Gelet op de psychosociale situatie van schuldenaar, zijn problematische schuldensituatie, houding en gedrag heeft de gemeente hem verzocht een verzoek in te dienen tot beschermingsbewind. Een bewindvoerder is bereid geweest het beschermingsbewind op zich te nemen, maar zij heeft zich teruggetrokken omdat er onvoldoende draagkracht was voor het bewind. Ondanks herhaalde verzoeken heeft schuldenaar niet gezorgd voor een nieuwe beschermingsbewindvoerder. Dit betekent in de ogen van de gemeente dat een schuldhulptraject geen kans van slagen heeft. Daarnaast is er een tweede weigeringsgrond. Sinds 8 juni 2014 ontvangt schuldenaar geen uitkering meer op grond van de Wet werk en bijstand. Bovendien is zijn woonsituatie, door de ontruiming van zijn woning, thans onduidelijk. Dit betekent dat schuldenaar geen stabiel inkomen en geen stabiele woonsituatie heeft. Op grond van de op de Wgs gestoelde ‘Beleidsregel integrale schuldhulpverlening de gemeente’ zijn dit redenen om de schuldhulp te weigeren. Bij uitspraak van 8 april 2016 heeft de rechtbank Midden-Nederland (sector bestuursrecht) het door schuldenaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Raad van State en de artikelen 6 en 7 Wgs
Schuldenaar vindt dat de rechtbank had moeten oordelen dat het bestuur gehouden was hem op grond van de hardheidsclausule van de Beleidsregel wel schuldhulpverlening te bieden, nu er wel relevante bijzondere omstandigheden aanwezig waren. Hij voert aan dat hij door de detentie in België in een crisissituatie is geraakt, aangezien daardoor zijn uitkering is stopgezet en zijn woning is ontruimd waardoor hij dakloos is geworden. Daarnaast is zijn psychiatrische toestand door de detentie sterk verslechterd. De Raad van State refereert aan artikel 6 Wgs, volgens welke een schuldenaar aan het college op verzoek of “onverwijld uit eigen beweging” (vlot & spontaan) mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op de schuldhulp. Ook relevant is hier artikel 7, waarmee de schuldenaar verplicht is om aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. In de gemeentelijke beleidsregels schuldhulpverlening is opgenomen dat het dagelijks bestuur kan besluiten tot beëindiging van de schuldhulp indien de inkomens-, woon- of leefsituatie van aanvrager dermate onzeker is dat schuldhulp (nog) niet mogelijk is. Het dagelijks bestuur kan in zeer bijzondere gevallen op grond van een hardheidsclausule gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid.

Marginale toetsing beëindiging schuldhulp en niet meewerken aan beschermingsbewind
Op 7 juni 2014 is schuldenaar wegens verdenking van poging tot diefstal uit een woning door de Belgische politie aangehouden en in hechtenis genomen. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen heeft schuldenaar bij vonnis van 25 augustus 2014 van de aanklacht vrijgesproken. Schuldenaar heeft de gemeente niet op de hoogte heeft gesteld van de aanhouding en detentie en is niet verschenen op een afspraak van 15 juli 2014. Hij heeft aangevoerd dat de detentie in België moet worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in de gemeentelijke beleidsregels. Dat schuldenaar de gemeente van zijn detentie niet op de hoogte heeft gesteld en wegens die detentie niet is verschenen op de afspraak, mocht de gemeente hem daarom niet tegenwerpen als schendingen van zijn inlichtingen- en medewerkingsplicht. In het (beëindigings)besluit van 22 december 2014 zijn echter ook andere gedragingen als redenen genoemd waarom schuldenaar zich niet aan zijn inlichtingenplicht en medewerkingsplicht heeft gehouden. Ter zitting heeft de gemeente toegelicht dat het ontbreken van een beschermingsbewind de belangrijkste reden was om de schuldhulp te beëindigen. Schuldenaar heeft dit standpunt van de gemeente in hoger beroep niet bestreden. Dit betekent dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het bestuur van de gemeente de schuldhulp van schuldenaar heeft kunnen beëindigen.

En stel dat het anders was gelopen en als schuldenaar wel braaf de aanvraag beschermingsbewind zou hebben doorgezet: dan was er dus onvoldoende reden geweest voor de gemeente om de minnelijke schuldhulp te mogen beëindigen. Maar iedereen in de praktijk weet dat een halfslachtig aangevraagd bewind (“omdat het nu eenmaal moet van de gemeente”) weer tot andere praktische problemen zal kunnen leiden.

Bron: Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:686

De visie van Schuldbemiddeling Nederland:
Schuldbemiddeling Nederland (h)erkent de stabiliserende werking van het beschermingsbewind. Beschermingsbewind vergroot de kans op een succesvol schuldhulpverleningstraject aanzienlijk. Voor mensen in het beschermingsbewind is daarom een efficiënt schuldbemiddelingstraject ingericht. Door directe communicatie met de beschermingsbewindvoerder, het elimineren van onnodige elementen in schuldbemiddelingstrajecten en korte doorlooptijden, worden cliënten door Schuldbemiddeling Nederland veelal vlot aan een schuldoplossing geholpen.

94%

In 94% van de gevallen komen we tot een schuldregeling.

95%

95% van deze schuldregelingen wordt tot een goed einde gebracht.

100 dagen

de gemiddelde duur van onze schuldbemiddeling is 100 dagen.

Scroll naar boven