Actualiteiten

Schuldbemiddeling Nederland is een samenwerking gestart met Geert Lankhorst. Geert Lankhorst is raadsheer-plaatsvervanger bij het Gerechtshof Amsterdam en verder onder andere actief als beleidsadviseur bij de Directie Rechtsbestel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Hij schrijft voor ons korte artikelen over jurisprudentie en actualiteiten met betrekking tot schuldbemiddeling, verzoekschriftprocedures in het minnelijk traject en de toelating tot de Wsnp.

Samen willen wij laten zien waar de grenzen liggen voor mensen die schuldhulpverlening nodig hebben.
De artikelen treft u hieronder aan.

Verlenging termijn schuldsaneringsregeling en aanvraag beschermingsbewind

Wat ging eraan vooraf?
Op 20 maart 2015 werd schuldenaar toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. En wat vaker gebeurt: Dit traject liep naar de mening van de bewindvoerder niet naar behoren. Uiteindelijk heeft de bewindvoerder op 7 december 2017 – dus ruim drie maanden voor het reguliere einde – schriftelijk verslag uitgebracht en geconcludeerd tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit beëindigingsverzoek werd behandeld ter terechtzitting de Rechtbank Rotterdam van 13 maart 2018. De bewindvoerder en schuldenares verschenen daarbij. De bewindvoerder had de rechtbank in het verslag bericht dat naar haar opvatting schuldenares niet, althans onvoldoende, voldeed aan de informatieplicht en evenmin aan de afdrachtplicht. De bewindvoerder miste de inkomstenspecificaties en gaf aan dat er sprake was van een geschatte boedelachterstand van € 911,11. De bewindvoerder adviseerde niet langer een verlenging van de schuldsaneringsregeling, maar stelde zich op het standpunt dat de schone lei geweigerd diende te worden. Schuldenares voldeed nog altijd niet aan haar informatieplicht; de inkomstenspecificaties, huurovereenkomst en bankafschriften ontbraken immers nog steeds. Daarnaast was de boedelachterstand verder opgelopen tot een bedrag van € 1.126,99. 

Standpunt bewindvoerder
De tussentijdse beëindiging kon geen dreiging zijn die ineens uit de lucht kwam vallen: De bewindvoerder verklaarde ter zitting dat schuldenares zich niet had gehouden aan de afspraken die eerder al gemaakt waren bij een verhoor van 31 mei 2017. Daarnaast had de bewindvoerder geconstateerd dat schuldenares, nadat haar woning was verkocht, elke maand € 190,00 van de Belastingdienst was blijven ontvangen inzake de voorlopige teruggave. De bewindvoerder stelde zich op het standpunt dat het niet de taak van de bewindvoerder is om te signaleren dat schuldenares na de verkoop van haar woning nog een voorlopige teruggave ontving; zij is immers aangesteld als toezichthouder en zij is geen hulpverlener. Het had op de weg van schuldenares zelf gelegen om na het verhoor de benodigde hulp in te schakelen. De bewindvoerder had desgevraagd ook aangegeven dat zij schuldenares niet actief op de mogelijkheid van het aanvragen van beschermingsbewind heeft gewezen. De bewindvoerder stelde dat de nieuwe vordering van de Belastingdienst thans in totaal de aanzienlijke som van € 3.900,00 bedraagt.

Standpunt saniet
De schuldenares kwam ook aan het woord en verklaarde ter zitting over haar psychische problematiek. Zij werd daarvoor nog steeds doorlopend behandeld. Vastgesteld was dat zij daarnaast traumabehandeling nodig heeft, maar deze is helaas nog niet ingezet. Of dat aan haarzelf lag of aan de beschikbaarheid van die specifieke hulp vermeldt de weergave in het vonnis helaas niet. Verdere hulpverlening, om de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling na te komen, was niet aanwezig. Schuldenares heeft ter zitting ook aangegeven dat zij bereid is om zich onder beschermingsbewind te laten stellen om zo een stabiele financiële situatie te creëren. Tevens heeft schuldenares aangegeven dat zij een betalingsregeling heeft getroffen voor het deel van de nieuwe schuld aan de Belastingdienst dat ziet op de terugvordering van de voorlopige teruggave over het jaar 2016. 

De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank moet vaststellen dat schuldenares niet alle verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling naar behoren is nagekomen. Zij is immers tekortgeschoten in de nakoming van haar afdrachtplicht, informatieplicht en de plicht om geen nieuwe schulden te maken. Deze tekortkomingen staan in beginsel in de weg aan het verlenen van de schone lei, aldus de rechtbank. Toch gaat de rechtbank niet mee met het advies van de bewindvoerder. Want gelet op “het verhandelde ter terechtzitting” is de rechtbank van oordeel, dat de tekortkomingen, in de situatie van schuldenares, onvoldoende verwijtbaar zijn om de zware sanctie te rechtvaardigen dat aan haar de schone lei onthouden wordt. Dat is een milde beslissing, want er liggen drie verzuimde hoofdverplichtingen op tafel waar een strengere rechter op zich genoeg aan kan hebben. 

Beschermingsbewind als flankerende maatregel
De rechtbank oordeelt dat schuldenares zo spoedig mogelijk onder beschermingsbewind gesteld moet worden, om zo een stabiele financiële situatie te creëren. Met de komst van een beschermingsbewindvoerder kan er meer helderheid worden gecreëerd over de nog ontbrekende informatie, de boedelachterstand en de nieuwe schulden aan de Belastingdienst. De bewindvoerder heeft ter zitting toegezegd – op verzoek van de rechtbank – dat zij schuldenares zal begeleiden naar een beschermingsbewindvoerder.

Een opmerkelijk ding, want in de rechtspraak (tot aan de Hoge Raad toe) is er veel discussie over de vraag of dit nu wel of niet behoort tot de taken van een Wsnp-bewindvoerder, die inderdaad vooral toezichthouder is. Dat hangt er misschien vanaf wat men precies bedoelt met het woordje “dit”: gaat het om het adviseren van een beschermingsbewind en uitleggen wat dat inhoudt, plus toelichten hoe dat de kansen van de lopende Wsnp kan vergroten, of (iets verdergaand) het administratief begeleiden van een aanvraag beschermingsbewind, of zelfs het actief zorgen (en monitoren) dat het beschermingsbewind er ook daadwerkelijk zo spoedig mogelijk komt? Uit het arrest van de Hoge Raad dat over deze vragen ging (HR 27 januari 2017, ECLI:HR:2017:110) mag men de regel onthouden dat een aanvraag beschermingsbewind “in het verlengde van de toezichthoudende taak” van de bewindvoerder ligt (dus niet bij de kerntaken van artikel 316 Fw hoort !) als de rechter aan de bewindvoerder heet verzocht om nauwgezet te monitoren dat de saniet de voorwaarde nakomt om zichzelf onder bewind te laten brengen. 

Verlenging zonder plan
Terug naar deze casus: De rechtbank ziet aanleiding schuldenares, met behulp van een aan te stellen beschermingsbewindvoerder, in de gelegenheid te stellen om de tekortkomingen te herstellen zodat zij aan het einde van de schuldsanering in aanmerking kan komen voor een schone lei. De rechtbank verlengt daarom de schuldsaneringstermijn met een jaar, dat wil zeggen tot 20 maart 2019. Ook dit is opmerkelijk soepel, want meestal wordt bij een dreigende tussentijdse beéindiging voor een verlenging toch wel iets van een plan vereist van de kant van de schuldenaar. Dus een min of meer concreet plan op welke wijze hij of zij denkt de geconstateerde tekortkomingen te verhelpen, bijvoorbeeld door een boedelachterstand in te lopen met een traceerbare lening van familie of vrienden, en door meer te solliciteren dan de recofa-richtlijnen vereisen. De rechtbank heft nog wel een waarschuwend vingertje op: het is mogelijk dat de gebreken niet binnen een jaar hersteld kunnen worden; in dat geval dient schuldenares er rekening mee te houden dat haar regeling nog een keer zal worden verlengd (met maximaal één jaar). En ook belangrijk: uitstel is geen afstel. Gedurende de verlenging dient schuldenares zich “onverkort” aan alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te houden, de boedelachterstand in te lopen en de nieuwe schuld aan de Belastingdienst te voldoen. Of dat allemaal realistisch is om te verwachten binnen een jaar, is vers twee. Een beschermingsbewindvoerder zal daar nog hard nodig bij zijn.

Bron: Rechtbank Rotterdam 19 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2620

 

De praktijk in de cijfers van de drie bijzondere rechtsmiddelen in 2017

Cijfers 2017
Het dwangakkoord is populair en het belang ervan groeit nog steeds. Dit blijkt uit de jaarlijkse Monitor Wsnp die onlangs in september openbaar is gemaakt en naar de Tweede Kamer is gezonden. In 2017 werden in totaal 3.917 verzoekschriften voor één van de drie bijzondere voorzieningen Wsnp bij de rechtbanken ingediend: de artikelen 287a Fw, 287b Fw en 287 lid 4 Fw. Met deze drie bepalingen beoogde de wetgever in 2008 het minnelijke schuldhulptraject te versterken. Het aantal ingediende verzoeken om een dwangakkoord is continu toegenomen: Ten opzichte van 2013 met 37% (van 1.796 naar 2.526). Bij de minnelijke moratoria is er in 2017 opnieuw een duidelijke afname van 1.325 in 2016 naar 978 (- 26%). Bij de voorlopige voorzieningen hangende het schuldsaneringsverzoek is ook te zien dat het aantal verzoekschriften continu is afgenomen. In 2017 werden 413 voorlopige voorzieningen aangevraagd, 89 minder dan in het jaar ervoor. Omdat dit rechtsmiddel als “noodverband” vooruitloopt op reeds ingediende verzoeken Wsnp, kan deze continue daling worden verklaard vanuit het eveneens dalende aantal verzoeken schuldsanering. Het totale beroep op de drie bijzondere rechtsmiddelen verandert weinig door de jaren heen: van 4070 verzoekschriften in het jaar 2013 - via 4027 in 2015 - tot 3917 verzoekschriften in het jaar 2017. 

Rechterlijke afdoening
Opvallend bij het dwangakkoord is het hoge percentage intrekkingen: maar liefst 46%. Dit sterke rechtsmiddel heeft een goede precedentwerking, zolang men er natuurlijk alleen ermee dreigt als men het ook kan waarmaken en eventueel wil doorzetten. Het instrument staat of valt met een goede argumentatie, en goede specialisten boeken daar goede resultaten mee. Mogelijk ook dat het risico van een kostenveroordeling voor schuldeisers (steeds vaker in de lagere rechtspraak te onderkennen) reden is om alsnog in te stemmen met een aangeboden voorstel in de minnelijke regeling. Dat gebeurt dan meestal kort voor de zittingsdatum, waarna het verzoek om een dwangakkoord weer wordt ingetrokken. De statistieken nog even: In 33% van de gevallen wordt het verzoek dwangakkoord toegekend, en in 17% van de gevallen wordt het afgewezen. Zelden is het verzoekschrift niet-ontvankelijk. Ook bij de minnelijke moratoria van artikel 287b Fw is het beeld van de afdoeningswijzen wisselend over de jaren heen, waarbij opvalt dat in alle jaren de toekenningen royaal in de meerderheid zijn, namelijk tussen de 64% en 70%. Artikel 287b Fw kent dan ook geen zwaar criterium zoals het dwangakkoord: als situatie x zich voordoet, dan wordt het in beginsel toegewezen. Bij de voorlopige voorzieningen wordt ruim driekwart van de verzoeken toegewezen, oplopend tot bijna 80% over het jaar 2017. 

Verschillen tussen de rechtbanken
Net als in eerdere jaren zien we ook in 2017 aanzienlijke verschillen tussen de rechtbanken bij het aantal verzoeken om een dwangakkoord, moratorium of voorlopige voorziening. Verreweg de meeste verzoeken om een dwangakkoord werden in 2017 bij de rechtbank Amsterdam ingediend: 482 verzoekschriften: het laagste aantal bij de rechtbank Overijssel: 37 op jaarbasis). Ook Den Haag en Rotterdam behandelden in 2017 een groot aantal dwangakkoorden (resp. 554 en 311 verzoeken). Zou het iets populairder zijn in de grote steden ? Bij de minnelijke moratoria valt op dat opnieuw Amsterdam de meeste verzoeken behandelt (219 stuks) met op een goede tweede plaats de rechtbank Rotterdam. De Rechtbank Den Haag krijgt echter opvallend weinig verzoekschriften ex artikel 287b Fw binnen, namelijk slechts 55 op jaarbasis. Bij de voorlopige voorzieningen vallen de rechtbanken Noord-Holland en Noord-Nederland op met 162 resp. 132 verzoekschriften, terwijl dit aantal bij de overige rechtbanken varieert tussen de 2 en 34 verzoekschriften. Hier lijkt een verband te liggen met de wachttermijn voor het reguliere Wsnp-verzoek: bij een korte wachttijd bestaat minder aanleiding voor het overbruggende noodverband van artikel 287 lid 4 Fw, en een verband met goede lokale convenantsafspraken in het minnelijke traject.

Relatieve verschillen in afdoeningswijze
Tussen de rechtbanken onderling bestaan grote verschillen in afdoening. Bij de uitkomsten van de verzoeken dwangakkoord valt op dat in 2017 de rechtbank Limburg in het geheel geen niet-ontvankelijkverklaringen kende als afdoening en dat er bij de rechtbank Oost-Brabant juist relatief veel niet-ontvankelijkverklaringen voorkwamen. Dit hoeft nog niet iets te zeggen over de mate van formalisme (is de rechtbank wel of niet geneigd om ook bij een kleine onvolkomenheid het verzoekschrift niet in behandeling te nemen) maar kan ook te maken hebben met de wijze van aanlevering vanuit het lokale minnelijke traject. Bij de rechtbanken Gelderland en Den Haag werd ongeveer een kwart van het aantal artikel 287a Fw-verzoeken afgewezen. Bij de rechtbank Amsterdam werden veel dwangakkoorden (37%) toegekend, dus los van de 48% intrekkingen daar. Bij de afwijzingen van moratoriumverzoeken vallen de rechtbanken Amsterdam en Noord Holland op door een relatief laag percentage en Midden-Nederland door een relatief hoog percentage afwijzingen. Het aantal afdoeningen van voorlopige voorzieningen is per rechtbank uitgesplitst relatief laag. Alleen bij de rechtbanken Noord-Holland en Noord-Nederland komen voldoende grote aantallen voor (respectievelijk 162 en 132 afdoeningen) om iets over de relatieve verdeling te kunnen zeggen. Deze rechtbanken kennen meer dan 80% van de verzoeken toe, net als Amsterdam waar het totale aantal afdoeningen in 2017 niet hoger was dan 34.

Bron: Monitor Wsnp, veertiende meting, over het jaar 2017, L. Nickel en S. Peters, Utrecht september 2018, blz. 27 t/m 34.

 

Toewijzing dwangakkoord: twee schuldeisers buiten aanbod gelaten, NVVK-lidmaatschap niet relevant

Alleen de gemeente weigert
Schuldenaar diende bij de Rechtbank Rotterdam een verzoekschrift in om een viertal schuldeisers (Robin Energie B.V, de Gemeente Rotterdam, Vesting Finance en H&M) die weigeren mee te werken aan een aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. Vesting en H&M hebben voorafgaand aan de zitting te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de schuldregeling. Ook Robin Energie heeft de bewindvoerder kort voor de zitting laten weten alsnog in te stemmen. Ter zitting is schuldenaar verschenen, in gezelschap van haar oma, en de beschermingsbewindvoerder, die tevens het schuldhulpverleningstraject verzorgt. De enig overgebleven weigerende schuldeiser (de gemeente) is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Schuldenaar heeft elf concurrente schuldeisers die in totaal € 10.466,44 te vorderen hebben. Het schuldregelingsaanbod was een betaling van 11,09% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. 

Dreigende restschuld is niet in het belang van de crediteuren
Ook had schuldenaar twee schulden die niet waren opgenomen in het voorstel aan de schuldeisers: een schuld aan de woningbouwvereniging van € 1.538,00 en een aan de Vereniging van Eigenaren van € 568,64. De schuldhulpverlener heeft ter terechtzitting verklaard dat deze schulden niet zijn meegenomen in het aanbod omdat deze volledig moeten worden voldaan. Schuldenaar heeft een koopwoning met een terugkoopgarantie. Er rust een hypotheek op de woning van € 80.000. Als de schulden aan de woningbouwvereniging en de VvE niet volledig worden voldaan, heeft de woningbouwvereniging het recht om de woning terug te kopen voor een bedrag van € 69.000,00. Alle schuldeisers zijn er niet bij gebaat als er zo een restschuld van € 11.000,00 aan de schuldenlast moet worden toegevoegd, aldus de schuldhulpverlener. Om die reden zijn deze twee schulden buiten het aanbod gehouden. 

Gemeente: begeleiding vond niet door NVVK-lid plaats
Het aangeboden akkoord gaat uit van een afloscapaciteit van schuldenaar die is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar WIA-uitkering. Zij is voor 100% arbeidsongeschikt verklaard. Het aanbod voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Schuldenaar stelt dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Zij heeft sinds de aanmelding bij de schuldhulp geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan. Tien schuldeisers stemden reeds met de aangeboden schuldregeling in. Alleen de gemeente Rotterdam stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 818, die 8% van de totale schuldenlast beloopt. In de contacten met de private schuldhulpverleningsorganisatie heeft de gemeente zich op het standpunt gesteld dat de regeling niet is aangeboden door een instantie die is aangesloten bij de NVVK. De gemeente heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

Wat overweegt de Rotterdamse Rechtbank?
Nu het aanbod voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de gemeente Rotterdam bij haar weigering op zich vast. De rechtbank moet dan in het kader van artikel 287a Fw de klassieke vraag beantwoorden of de gemeente in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van schuldenaar of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. De rechtbank stelt vast dat de vordering van de gemeente een gering aandeel vormt in de totale schuldenlast van 8%. Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk tien van de elf schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan. De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Dat deze schuldhulpverlenende organisatie niet is aangesloten bij de NVVK, doet hier niet aan af, nu de professionele beschermingsbewindvoerder in de zin van artikel 1:435 van het Burgerlijk Wetboek op grond van artikel 48 lid 1 Wet op het consumentenkrediet, bevoegd is een buitengerechtelijke regeling te beproeven. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Daar is door de schuldhulpverlening aan toegevoegd dat zij werkt conform de werkwijze van de NVVK, meer in het bijzonder dat zij voldoet aan eisen zoals opgenomen in het certificaat van de NEN8048-1. Het interessante aan dit vonnis is dus dat de hoedanigheid van professioneel beschermingsbewindvoerder maakt dat men ook als dwangakkoord-rechtsbijstandsverlener geaccepteerd wordt. Het formele argument snijdt ook weinig hout nu de reguliere NEN-werkwijze gevolgd wordt door de private schuldhulporganisatie.

Het maximaal haalbare
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe schuldenaar in staat moet worden geacht. Gebleken is dat schuldenaar niet beschikt over betaald werk. Zij is op 5 april 2017 voor 100% arbeidsongeschikt verklaard. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen. Door de schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat schuldenaar het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Zij staat onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede. Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op schuldenaar van toepassing zou zijn. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsanering zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen schuldenaar zou kunnen afdragen in de schuldsanering. Dat betekent dat toepassing van de schuldsanering de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Belangenafweging en (geen) kostenveroordeling
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van schuldenaar die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van de gemeente, die geweigerd heeft in te stemmen. Het verzoek om de Gemeente Rotterdam te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen, en de gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor dit verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en schuldenaar niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil. Juist op dit punt kiest de Rechtbank Midden-Nederland voor een andere koers, namelijk die van de kostenveroordeling wegens het verplichte karakter van de minnelijke begeleiding die te vergelijken is met verplichte rechtsbijstand. Niet alleen een advocaat kan geld kosten, en een schuldenaar kan een dwangakkoord nooit alleen voor elkaar krijgen: daar is deskundige expertise voor nodig. Zeker indien (zoals hier) een principiële, formele weigering van de enig overgebleven weigeraar (“wij weigeren want u bent geen NVVK-lid”’) niet inhoudelijk wordt toegelicht ter zitting of in een verweerschrift, lijkt een kostenveroordeling wel op zijn plaats.

Bron: Rechtbank Rotterdam 22 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1903

 

De sterke positie van een bewindvoerder Wsnp in het minnelijk traject

Een relatief hoog uitkeringspercentage
Schuldenaar had vijf schuldeisers: een preferente en vier concurrente, die in totaal een bedrag van € 78.611,- van haar te vorderen hadden. Zij had een minnelijke schuldregeling aangeboden waarbij de preferente schuldeiser het (in een wettelijke schuldsanering gebruikelijke) dubbele percentage (in casu 83,33 %) zou ontvangen en de concurrente schuldeisers het (enkelvoudige) percentage van 41,66%, en dit tegen finale kwijting. Dit schikkingsvoorstel was gebaseerd op een fulltime dienstbetrekking met een arbeidscontract voor bepaalde tijd en met uitkering van een prognosepercentage. Schuldenaar stelde zich op het standpunt dat zij al het mogelijke had gedaan om deze percentages aan te kunnen bieden aan haar schuldeisers. Schuldenaar had daarnaast sinds de aanmelding bij de schuldhulpverlening geen nieuwe schulden gemaakt of betalingsachterstanden laten ontstaan. Vier van de vijf schuldeisers stemden in met het aanbod, waaronder ook de preferente schuldeiser. Alleen Hoist Finance weigerde. Hoist had een vordering van € 52.306,- op zowel schuldenaar als haar partner en zou dus van schuldenaar op de vordering 41,66% ontvangen, en nog eens 13% van de partner van schuldenaar, zijnde in totaal een uitkeringspercentage van 54,75%.

Standpunt weigerende crediteur
Schuldenaar werd bijgestaan door twee schuldhulpverleners van SBN en namens Hoist Finance verscheen een vertegenwoordiger van LAVG gerechtsdeurwaarders ter zitting van de rechtbank in Rotterdam. Gemakkelijk is een verzoek dwangakkoord nooit, want de vrijheid van de crediteur om te weigeren staat voorop – de rechtbank begint daar ook mee in haar vonnis – en het is dus aan de debiteur om met een duidelijk en overtuigend verhaal te komen om aan de bewijslast te voldoen. En dat lukte in dit geval. Hoist bepleitte dat een minnelijke regeling nu eenmaal minder garanties biedt dan een wettelijke schuldsanering. Bovendien biedt een minnelijke regeling minder zicht op een gunstiger resultaat dan een schuldsanering, aldus Hoist. Dit klinkt toch een beetje vreemd, want of deze beweringen in het algemeen zijn gedaan of juist op deze casus betrekking had blijft wat onduidelijk. Het voorgestelde akkoord zou ook in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid, gelet op de langlopende verplichtingen die schuldenaar is aangegaan en gelet op de welwillende houding van Hoist. En het belang bij een weigering staat vast nu de aangeboden schikking voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering op schuldenaar. De Rotterdamse rechters gaan in deze laatste stelling mee, maar gaan vervolgens – in diezelfde sleutel van de (on)redelijkheid – de belangen van partijen tegen elkaar afwegen.

Het minnelijke proces en het gedane aanbod
In het totaal van de schuldenlast heeft Hoist een aandeel van ruim 66%, en een ruime meerderheid van de schuldeisers is akkoord gegaan met het voorstel, zo begint de rechtbank. Dit voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de schuldhulpverlening van SBN. Het voorstel is ook goed en controleerbaar gedocumenteerd. Dat de Wsnp meer waarborgen zou bieden is niet zo, aldus de rechtbank. Het minnelijke traject is uitgevoerd onder toezicht van een Wsnp-bewindvoerder, en deze heeft ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat schuldenaar het maximale zal afdragen aan haar schuldeisers, is voldaan. Een uitstekende redenering van de rechters, want de Wsnp-bewindvoering vormt een afgebakende beroepsgroep, geregistreerd bij de Raad voor Rechtsbijstand te Den Bosch, die moet voldoen aan allerlei wettelijke kwaliteitseisen, en voor wie het toezicht in schuldsaneringsprocedures de core business is. De rechtbank gaat verder: het minnelijke aanbod zal naar verwachting een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeiser(s) dan in een eventuele wettelijke schuldsaneringsregeling. Schuldenaar voldoet met haar fulltime baan van 36 uur al aan de werkverplichting uit de Wsnp. Zij zal dus in een Wsnp niet tot meer verplicht worden. Bovendien geldt dat bij toepassing van de schuldsaneringsregeling het salaris van de bewindvoerder en het griffierecht in aftrek zouden komen op de te verwachte opbrengst voor de schuldeisers. Dan zou dus – nog afgezien van de langere tijdsduur – een schuldsanering zelfs minder opleveren dan het nu voorgestelde akkoord. De rechtbank weegt ook de belangen mee van de overige schuldeisers die wel hebben ingestemd met de minnelijke oplossing. Zo wijst de rechtbank het verzochte bevel aan Hoist om in te stemmen toe. Samenvattend: Het schikkingsaanbod was en is inderdaad objectief aantoonbaar het maximum haalbare, en kon een vergelijking met een eventuele schuldsaneringsopbrengst glansrijk doorstaan.

Bron: Rechtbank Rotterdam 8 november 2017, Rek.nr. C/10/532606/FTEA17/1604

 

Waar een schuldenlast werd afgekocht met een krediet, zijnde een gift van een vriend

Eenmanszaak: 27 van de 38 schuldeisers akkoord
Debiteuren in betalingsmoeilijkheden met een onderneming vormen een bijzondere groep met veelal extra hoge schulden die vaak snel zijn opgelopen. Sommige gemeenten lijken in de schuldhulpverlening een beetje benauwd voor deze cliënten want het lijkt extra ingewikkeld en tijdrovend. Maar met wat bijzondere expertise en inzet is er zeker niet minder kans op een geslaagd dwangakkoord, zoals deze casus illustreert. Schuldenaar heeft ter afwering van een faillissementsverzoek bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend voor de schuldsanering, tegelijk met een verzoek om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met een dwangakkoord. Bij vonnis van 8 maart 2018 heeft de rechtbank Gelderland het verzoek dwangakkoord afgewezen. Waar ging het om? Schuldenaar heeft gedurende de periode 1995 tot februari 2018 een eenmanszaak gedreven. Hij verrichtte met zijn bedrijf bouw- en montagewerkzaamheden. Sinds maart 2018 heeft hij een baan in loondienst. De schuldenlast bedraagt volgens de crediteurenlijst in totaal € 484.937,44 en omvat 38 schuldeisers. Voorafgaand aan zijn verzoek schuldsanering heeft schuldenaar aan zijn crediteuren een akkoord aangeboden. Op basis van dit aanbod zou iedere schuldeiser een betaling van 7,58% van zijn vordering ontvangen, tegen finale kwijting. Met dit voorstel hebben uiteindelijk 27 van de 38 schuldeisers ingestemd.

Afkoop beleggingsverzekering alsnog meegenomen
De rechtbank heeft het verzoek opleggen dwangakkoord afgewezen op basis van het volgende. Er is sprake van een beleggingsverzekering bij Aegon Levensverzekering N.V., waarvan de waarde op 31 december 2014 € 15.391,03 bedroeg. Deze beleggingsverzekering kan worden afgekocht en het te ontvangen bedrag dient, na aftrek van belasting en rente, te worden meegenomen in een aan de schuldeisers aan te bieden schuldregeling. Omdat de beleggingsverzekering niet is meegenomen, is het aanbod niet goed gedocumenteerd. Bovendien is daardoor het aanbod niet het uiterst haalbare waartoe schuldenaar financieel in staat is. Voor het hoger beroep heeft schuldenaar aan zijn crediteuren een nieuw verbeterd minnelijk voorstel gedaan. Hij heeft zijn beleggingsverzekering inmiddels afgekocht, waardoor het beschikbare bedrag voor de schuldeisers nu € 59.331,20 bedraagt. Op basis van de aangeboden schuldregeling zal iedere schuldeiser een betaling van 9,73% van zijn vordering ontvangen, tegen finale kwijting. Toen heeft nog een schuldeiser ingestemd met dit minnelijke voorstel, waarmee nu 28 van de 38 schuldeisers hebben ingestemd. Zij vertegenwoordigen in hoger beroep gezamenlijk 85,94% van de totale schuldenlast. In hoger beroep heeft schuldenaar verklaard dat hij bovendien een (voorwaardelijke) gift van een vriend heeft gekregen van € 50.000,- om het aangeboden akkoord mee te financieren.

Argumenten van de weigerende schuldeisers
In hoger beroep is namens de weigerachtige schuldeisers niemand verschenen. Een van de schuldeisers heeft gesteld dat de slechte financiële situatie van schuldenaar niet zomaar “uit de lucht is komen vallen”. Schuldenaar had in de maanden juni, juli en augustus 2017 in verband met de financiële situatie van zijn bedrijf bij het plaatsen van bestellingen veel terughoudender moeten zijn of helemaal geen bestellingen meer moeten plaatsen. Door dit toch te doen heeft schuldenaar onrechtmatig c.q. niet te goeder trouw gehandeld. Daarnaast ontbreekt een duidelijke en verifieerbare opgave van baten en schulden, alsmede een opgave van inkomsten en een richting voor wat betreft toekomstperspectief. Ook is niet zeker of de aangeboden minnelijke regeling beter is dan een eventuele uitkering in een schuldsaneringsregeling, aldus een van de weigerachtige schuldeisers, en zijn er ten onrechte geen afspraken gemaakt met de fiscus omtrent de restitutie van btw aan de schuldeisers als er wordt ingestemd met het voorstel of een dwangakkoord tot stand komt. Twee andere vennootschappen nemen het schuldenaar kwalijk dat hij niet (eerder) overleg met zijn schuldeisers heeft gepleegd. Zij menen dat het voorstel, mede gelet op de ontwikkelingen in de bouwbranche, niet het maximaal haalbare voorstel is. De overige weigerachtige schuldeisers hebben in hoger beroep geen (aanvullend) standpunt ingenomen.

Beperkt aandeel weigeraars in schuldenlast en belang overige crediteuren
Het hof is van oordeel dat de schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het (nieuwe) aanbod van schuldenaar hebben kunnen komen. Het hof vindt dat de schuldeisers die hebben geweigerd in verhouding tot de overige schuldeisers een relatief beperkt aandeel in de totale schuldenlast hebben. De schuldeisers die hebben ingestemd vertegenwoordigen immers gezamenlijk 85,94% van de totale schuldenlast. Ook neemt het hof in aanmerking dat de schuldeisers die wel hebben ingestemd met de schuldregeling een groot belang hebben bij de effectuering daarvan. Zij krijgen in dat geval op korte termijn een deel van hun vordering betaald. Dat dit deel betaald wordt, staat voor het hof vast, want ter zitting heeft de advocaat verklaard dat het voor de schuldeisers beschikbare bedrag op de derdengeldrekening van zijn kantoor is gedeponeerd en, indien de weigerachtige schuldeisers wordt bevolen in te stemmen met het akkoord, er zo spoedig mogelijk tot uitkering van de bedragen aan de schuldeisers zal worden overgegaan. Een dergelijke verklaring biedt natuurlijk een overtuigende waarborg voor de nakoming.

Geen uitzicht op hogere uitkering aan crediteuren
Ook heeft schuldenaar voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn aanbod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Daarnaast is niet aannemelijk dat het alternatief van een faillissement of schuldsaneringsregeling uitzicht kan bieden op een hogere uitkering aan de schuldeisers dan zij zullen ontvangen uit de aangeboden schuldregeling. De gift van de vriend van schuldenaar van € 50.000,- is uitsluitend beschikbaar indien dit verzoek om een dwangakkoord zal worden toegewezen. In een schuldsaneringsregeling, of in een faillissement of spaartraject zal dus alleen het bedrag van de afkoop van de beleggingsverzekering als beschikbaar vermogen voorhanden zijn. Schuldenaar heeft een netto-inkomen van € 2.478,72, exclusief vakantiegeld. Hij heeft relatief hoge huurlasten van ruim € 1.200,- en betaalt een bedrag aan alimentatie van € 350,- per maand. Hij heeft een berekening VTLB overgelegd waaruit volgt dat hij in de theoretische situatie dat hij zijn huurlasten zal hebben terug weten te brengen tot € 650,- en zijn alimentatieplicht op nihil wordt gesteld, een vrij te laten bedrag zal hebben van € 1.849,26. Gelet hierop acht het hof het niet waarschijnlijk dat het inkomen van schuldenaar toereikend zal zijn om het bedrag van de gift van € 50.000,- tijdens een schuldsanering of een spaartraject van drie jaar bijeen te krijgen. Daarvoor zal hij immers een bedrag van € 1.388,88 per maand moeten kunnen sparen.

Teruggave BTW
Dat er op dit moment nog geen zekerheid bestaat over mogelijke restitutie van btw aan de schuldeisers voor het gedeelte van hun vordering dat niet wordt voldaan, staat niet aan toewijzing van het verzoek in de weg. Het is aan de schuldeisers om te zijner tijd de belastingdienst op basis van artikel 29 lid 1 Wet op de omzetbelasting te verzoeken om teruggave van btw, hetgeen in principe ook mogelijk is bij kwijtschelding of indien het factuurbedrag wordt verminderd (Kamerstukken II 2016-2017, 34 554, nr. 3, p. 32).

Ten slotte acht het hof van belang dat schuldenaar ter zitting afdoende heeft toegelicht dat de betalingsproblemen in de zomer van 2017 vrij abrupt zijn ontstaan. Schuldenaar heeft verklaard dat zijn uitvoerder - van wie hij wat betreft de bouwactiviteiten van zijn onderneming volledig afhankelijk was - een paar dagen voor de bouwvak (begin augustus 2017) van de ene op de andere dag aankondigde dat hij na de bouwvak voor zichzelf zou beginnen. Daarnaast zat in die periode een werkvoorbereider ziek thuis. Aangezien het schuldenaar niet is gelukt om een nieuwe uitvoerder te vinden, konden aangenomen opdrachten niet worden uitgevoerd en ontstonden acute betalingsmoeilijkheden. Het is dus niet zo dat hij, wetende dat hij niet meer kon betalen, nog nieuwe bestellingen heeft geplaatst. Het verzoek om een gedwongen schuldregeling is toewijsbaar en het hoger beroep slaagt. Zo kan een zaak in hoger beroep toch een heel andere wending krijgen, waarbij een solide voorstel met de juiste argumentatie enorm kan helpen.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4166

 

Dwangakkoord toegewezen bij schadevergoedingsvordering

Een opmerkelijke zaak
Een opmerkelijk hoger beroep diende bij het Haagse Gerechtshof tegen een vonnis van de Haagse Rechtbank waarbij het verzoekschrift van schuldenaar om een gedwongen schuldregeling tegen twee schuldeisers werd afgewezen. Wat was er aan de hand? De Rechtbank had geoordeeld dat er onvoldoende feiten en omstandigheden waren gesteld en bewezen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de schuldeisers Tele2 en De Boer in redelijkheid niet tot een weigering van hun instemming met het door schuldenaar aangeboden akkoord konden komen. De schuld aan De Boer dateerde weliswaar alweer van april 2002, maar betrof iets bijzonders, namelijk een schadevergoeding van € 1.453,- exclusief tenuitvoerleggingskosten, die door de strafrechter was opgelegd in verband met een door schuldenaar gepleegde diefstal met braak. Deze vordering was inmiddels opgelopen tot bijna € 2.000,-, en er was in de loop der jaren € 633,- op afgelost. De Boer had aldus nog een bedrag van € 1.343,- te vorderen van schuldenaar. De vordering van Tele2 bedroeg slechts € 295,- en was van recenter datum, namelijk augustus 2013.

Het maximaal haalbare aangetoond
Beide schuldeisers namen niet de moeite om hun bezwaren tegen een gedwongen schuldregeling in hoger beroep kenbaar te maken, schriftelijk noch mondeling. Schuldenaar verscheen bij het Hof met zijn advocaat, met zijn beschermingsbewindvoerder, met zijn begeleider van Parnassia en met twee schuldhulpverleners van SBN. Het Hof zag zich dus geconfronteerd met een actief netwerk aan hulpverlening rondom de verzoeker, en twee afwezige wederpartijen. Allereerst somt het Hof de elf gezichtspunten op die volgens rechtersrecht invulling geven aan de algemene norm van de onevenredigheid van belangen uit artikel 287a lid 5 Fw. Vervolgens schetst het Hof dat de totale schuldenlast van schuldenaar € 30.895,- bedraagt aan 17 schuldeisers, waarbij 15 akkoord gaan en waarbij de vorderingen van de twee weigerende schuldeisers een percentage van de totale schuldenlast belopen van 1% respectievelijk 4,3%. SBN had becijferd dat het vrij te laten bedrag voor schuldenaar ook in een wettelijk schuldsaneringstraject hoger zou zijn dan zijn maandelijks inkomen, zodat er geen bedrag voor betaling aan de schuldeisers beschikbaar was of zou komen. Het Hof oordeelde dat schuldenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat het aanbod van een uit te delen bedrag ad € 1.421,- (te weten 3,83% voor alle concurrente crediteuren) het uiterste was waartoe hij financieel in staat moest worden geacht.

Een dicht netwerk van advies en begeleiding
Het Hof achtte hierbij van belang dat SBN duidelijk had gemaakt dat schuldenaar te kampen had en heeft met psychische problematiek, die maakte dat het niet aannemelijk was dat schuldenaar op de korte of de middellange termijn inkomen uit arbeid zou gaan verwerven. Niet aannemelijk was dus ook dat de opbrengst voor de schuldeisers in een wettelijk traject hoger zou kunnen zijn dan in het nu gedane minnelijke schikkingsaanbod tegen finale kwijting. De vermogensvergelijking minnelijke versus wettelijke opbrengst was dus snel gemaakt. Het Hof zegt het niet, maar die vergelijking hoeft overigens niet perse een lagere Wsnp-opbrengst te bieden, wil een weigering onredelijk uitpakken. Ook als de beide opbrengsten evenveel zijn, of nagenoeg evenveel zijn (dus als de Wsnp opbrengst ietsje hoger uitvalt) kan er sprake zijn van een onredelijke weigering die een dwangakkoord mogelijk maakt. Dat kan allemaal binnen het ruime bestek van het onredelijkheidscriterium, mits er (zoals in deze casus) een goed verhaal bij zit van de kant van de verzoeker. In deze zaak zal zeker ook hebben meegespeeld dat de samenwerkende partijen in de hulpverlening een waarborg boden dat het minnelijke aanbod ook zou worden nagekomen. Een goede begeleiding biedt een stok achter de deur richting cliënt, die soms moet worden geactiveerd om hem op het goede spoor te houden.

Nog drie argumenten die meewegen
Het Hof overweegt dat de beide vorderingen van deze crediteuren in de totale schuldenlast slechts een beperkt aandeel hebben (1% en 4,3%) ten opzichte van de crediteuren die wel hadden ingestemd. Interessant is verder ook dat het Hof expliciet laat meewegen dat Tele2 en De Boer in hoger beroep niet zijn verschenen om hun weigering nader toe te lichten, ook niet schriftelijk. Misschien waren ze niet zo bekend met de dwangakkoordjurisprudentie of dachten ze een sterke zaak te hebben en hadden ze niet verwacht dat het vonnis in hoger beroep nog “over de kop” zou kunnen gaan. Of waren het financiële motieven: bij een dergelijke geringe vordering is iedere tijd en moeite die je besteedt aan een procedure algauw teveel. Tenslotte is opmerkelijk dat het Haagse Hof expliciet overweegt dat het feit dat de vordering van De Boer ziet op een strafrechtelijke veroordeling (en dus op verwijtbaar handelen van schuldenaar jegens De Boer) voor het Hof onvoldoende reden vormt om het dwangakkoord te weigeren, “mede gezien de lange tijd die verstreken is sinds het ontstaan van deze vordering”. De tijd tikt dus in het nadeel van diegene die aanspraak heeft op de schadevergoeding, ook als dat door de strafrechter is opgelegd. Dat ook dan een dwangakkoord op zichzelf tot de mogelijkheden behoort, is niet alledaags en een geslaagd beroep daarop blijft voorbehouden aan wie een sterke zaak met sterke argumenten heeft, en die ook goed weet te hanteren. Of aan wie een zwakke zaak heeft, maar die toch met goede argumenten goed over het voetlicht brengt.

Bron: Gerechtshof Den Haag 21 juni 2016, Rek.nr. C/09/504511/FTRK16/234 en C/09/504512/FTRK16/235 Zaaknrs. 200.190.331/01 en 200.190.342/01

 

Peilmoment start tienjaarstermijn na een eerdere schuldsaneringsperiode

Kern:
Een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen,
indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. Er bleek enige onduidelijkheid over het startmoment van de verplichte wachttermijn. Aan de Hoge Raad werd daarom gevraagd hier duidelijkheid in te scheppen. De Hoge Raad antwoordde dat de tienjaarstermijn na afloop van de materiële periode van een schuldsaneringsregeling aanvangt. Als een termijn wordt verlengd door de rechter, dan vangt de wachttermijn van tien jaren pas na deze verlenging aan.

Wanneer begint de tienjaarstermijn te lopen?
De toegang tot de schuldsaneringsrechter is en blijft een principiële zaak. Daarom werd een zogenaamde “prejudiciële vraag” gesteld aan de Hoge Raad: een prejudiciële vraag (artikel 392 Rv) is een vraag die de lagere rechter (bijvoorbeeld een rechtbank of een gerechtshof) stelt aan de hoogste rechter over een vraag van wetsuitleg, als dat van belang is voor meerdere geschillen. Zo krijgt de rechtspraktijk sneller duidelijkheid van de hoogste rechter over een juridische vraag dan dat telkens alle instanties moeten worden doorlopen.

De vraag luidde wanneer precies de verplichte wachttermijn van tien jaar uit artikel 288 lid 2 Fw na een eerdere schuldsaneringsprocedure van start gaat. Is dat (pas) bij het formele einde van de schuldsaneringstermijn (= het verbindend worden van de slotuitdelingslijst op grond van artikel 356 Fw), of (reeds) na het materiële einde van de schuldsaneringstermijn op grond van artikel 349a Fw? Even afgezien van de mogelijkheid van een verlenging zou dat laatste betekenen : de standaard drie jaar te rekenen vanaf de dag van het toelatingsvonnis.

De prejudiciële vraagstelling.
De prejudiciële vraag waar de Rechtbank Rotterdam mee worstelde luidde: “Dient onder de woorden “van toepassing is geweest” als bedoeld in artikel 288 lid 2 aanhef en onder d Fw de materiële termijn als bedoeld in artikel 349a Fw dan wel de formele termijn als bedoeld in artikel 356 Fw te worden verstaan?” Wat is het belang van het verschil tussen deze twee momenten? In de periode tussen het verstrijken van de materiële termijn en het verbindend worden van de slotuitdelingslijst (het ‘formele’ einde) vindt afwikkeling van de boedel plaats. In de praktijk kan er geruime tijd verstrijken tussen het materiële en het formele einde van de schuldsaneringsregeling. Dit is afhankelijk van de voortvarendheid waarmee die afwikkeling door de bewindvoerder (en niet te vergeten ook door de rechtbank !) ter hand wordt genomen en afgerond, maar ook afhankelijk van het gebruik door schuldeisers van rechtsmiddelen. En wat maakt dit allemaal uit? Het antwoord op deze vraag is van direct belang voor hoe lang men na een eerdere schuldsanering moet wachten met het indienen van een nieuw toelatingsverzoek, en dus wachten op een tweede schuldsaneringskans. Het kan zomaar een paar maanden tot een jaar verschil betekenen.

Materiële termijn van artikel 349a Fw maatgevend.
De Hoge Raad grijpt voor de beantwoording terug op een eerder standaardarrest van 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0890, NJ 2012/636. De Hoge Raad heeft toen met het oog op de vraag of een bepaalde bate wel of niet in de boedel valt, die door de schuldenaar is verkregen na het verstrijken van de materiële termijn, maar voor het (formele) einde bepaald dat die niet in de boedel valt. Redenen voor die beslissing waren (a) het grote belang dat de wetgever eraan hecht dat de schuldsanering niet langer duurt dan drie (of, als de rechter een langere termijn heeft bepaald, ten hoogste vijf) jaar en dat daaraan wezenlijk afbreuk zou worden gedaan indien toepassing van het wettelijk stelsel met het formele einde van de schuldsaneringsregeling feitelijk een verlenging van die termijn zou kunnen bewerkstelligen en (b) de centrale rol die de materiële termijn (uit art. 349a Fw) speelt bij de beoordeling van de vraag of aan de schuldenaar wel of niet een schone lei kan worden verleend. De saniet dient zich gedurende deze materiële periode te houden aan de diverse verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien.

Geen invloed schuldenaar op formeel einde.
De Hoge Raad overweegt dat het formele einde van de schuldsanering niet vaststaat en verschilt per procedure: want afhankelijk is van niet alleen de voortvarendheid waarmee de bewindvoerder te werk gaat bij het opstellen van de slotuitdelingslijst, maar ook van het al dan niet aanwenden door schuldeisers van rechtsmiddelen tegen het eindvonnis (art. 354 Fw), of tegen de slotuitdelingslijst. Aannemelijk is – de Hoge Raad overweegt dit niet – dat ook de voortvarendheid in de werkwijze van de rechtbank hier nog een rol in kan spelen. Dat zou ertoe leiden, aldus de Hoge Raad, dat voor de ene schuldenaar de (wacht)termijn aanzienlijk langer zou kunnen zijn dan voor de andere, zonder dat een schuldenaar daar zelf enige invloed op kan uitoefenen. Dat zou tot een minder redelijke uitkomst leiden, aldus de Hoge Raad. Men zou hieraan kunnen toevoegen: de wettelijke wachttermijn van tien jaar is op zich al lang genoeg, en aanknopen bij de formele termijn zou hem nog langer maken.

Als de schuldsaneringsperiode is verlengd – waartoe kan worden besloten na afloop van de materiële termijn van art. 349a Fw (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470) – dan begint de wachttermijn van tien jaar te lopen met het verstrijken van de verlengde (materiële) termijn. Is de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd, dan wordt ofwel geen slotuitdelingslijst opgemaakt, ofwel vindt afwikkeling plaats in het kader van een faillissement (art. 350 lid 5 Fw). In die gevallen eindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak tot beëindiging.

De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vraag van de Rechtbank Rotterdam dus als volgt: de tienjaarstermijn vangt aan na afloop van de materiële periode van een schuldsaneringsregeling. Dat moment markeert het einde van de periode waarbinnen wordt beoordeeld of de schuldenaar in aanmerking komt voor de schone lei. Als een termijn wordt verlengd door de rechter, dan vangt de wachttermijn van tien jaren pas na deze verlenging aan.

Bron: Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:572

 

Via hardheidsclausule toch de schuldsaneringsregeling in

Kern:
De rechtbank kan toegang tot de schuldsaneringsregeling weigeren op grond van artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw. Echter kan, ook wanneer niet wordt voldaan aan de vereisten uit voornoemd artikel, alsnog toelating tot schuldsaneringsregeling volgen. Wanneer sprake is van een bestendige gedragsverandering, kan een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.

Een moeilijk verhaal
Het verzoek van schuldenaar om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten was door de Rechtbank Den Haag bij vonnis van 26 april 2017 afgewezen wegens het ontbreken van de vereiste goede trouw. Zijn schuldenlast bedroeg maar liefst € 256.249,-, waarbij een fors aantal schulden verband hield met het plegen van een strafbaar feit dat tot een langdurige gevangenisstraf geleid had (van 2011 tot 2014) , en waardoor schuldenaar in de financiële problemen raakte. Hij had ook een uitkering ontvangen terwijl hij inkomsten uit arbeid had, en daarom vorderde de gemeente Den Haag een bedrag van ruim € 5500,- terug van schuldenaar. Al met al geen “voorbeeldcasus” voor een gemakkelijke toelating. Van dit afwijzende vonnis kwam schuldenaar in hoger beroep bij het Haagse Hof, bijgestaan door SBN, een begeleidster van Palier en zijn advocaat. Zij betoogden dat het schuldenaar niet helemaal kon worden verweten dat hij tijdens zijn langdurige detentie zijn vaste lasten niet meer kon voldoen. Tijdens deze detentie was hij ook gescheiden van zijn vrouw, uit welke scheiding ook veel schulden waren ontstaan. En bij het ontstaan van de terugvorderingsschuld aan de gemeente was geen opzet in het spel. Omdat er sprake was van een bestendige gedragsverandering beriep schuldenaar zich op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. Hij had er na zijn detentie alles aan gedaan om zijn leven weer op de goede rails te krijgen. Zo had hij sinds juni 2015 een baan verworven waarbij hij 32 uur per week was gaan werken, en was er budgetbeheer. Daarnaast wist hij zich verzekerd van ondersteuning door Palier voor de schuldhulp en van het toezicht van de reclassering, beide vormen van hulpverlening doorlopend tot 2022.

Detentie en goede trouw
Het Haagse Hof moest beoordelen of schuldenaar alsnog tot de schuldsaneringsregeling zou kunnen worden toegelaten. Het overgrote deel van de totale schuldenlast is ontstaan buiten de vijfjaarstermijn van artikel 288 lid 1 Fw waarbinnen de verzoeker te goeder trouw dient te zijn. Schulden van een iets oudere ontstaansdatum dus. Dan volgt een belangrijke overweging: Voor zover een deel van de schulden is ontstaan in de periode van detentie oordeelt het Hof dat deze schulden niet worden meegewogen in de beoordeling van de goede trouw. Het Hof zegt het niet met zoveel woorden, maar dat tijdens detentie schulden ontstaan is bijna onvermijdelijk, zo zou men kunnen redeneren: sommige vaste lasten lopen gewoon door, verdiencapaciteit is er niet, en de persoon in kwestie heeft op de hele situatie niet of nauwelijks invloed. De echtscheidingssituatie maakte dit er natuurlijk niet beter op. Wat de schulden betreft die binnen de vijfjaarstermijn zijn ontstaan overweegt het Hof dat schuldenaar niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van de schuld aan de gemeente Den Haag (juni 2015), en dat staat in beginsel aan toelating in de weg. In beginsel, want als de voordeur op slot zit dan kan men de achterdeur nog proberen en komt het aan op de eventuele toepassing van de hardheidsclausule.

Toelating via “de achterdeur”
Voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule heeft de verzoeker een bijzondere bewijslast vanwege de omstandigheid dat er nu eenmaal schulden op tafel liggen die niet te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald zijn gelaten, en die jonger zijn dan vijf jaar. Men moet aantonen dat de persoonlijke situatie en de financiële situatie al enige tijd (circa een jaar lang) stabiel is geworden, en dat de “wending ten goede” dus bestendig is. In dit derde lid van artikel 288 Fw zit een door de rechtspraak ontwikkelde dubbele maatstaf: een subjectieve (persoonlijke) component : wat heeft men geleerd van de oude situatie, welke valkuilen worden nu blijvend vermeden, is een verslaving onder controle gekregen, en een objectieve component : stabiliteit bijvoorbeeld qua financiën, qua woonsituatie, is er een vangnet van hulp. Heeft de betrokkene langs deze lijnen greep weten te krijgen op de oorzaken die hebben gezorgd voor de schuldenellende ? Ja, het Hof raakt ervan overtuigd dat deze ommekeer zich heeft voorgedaan in het leven van schuldenaar. Hij heeft de ernst van zijn situatie ingezien en concrete maatregelen getroffen, zoals het zoeken en vinden van een betaalde baan, en het niet meer aangaan van nieuwe (consumptieve) schulden. Verder heeft hij via budgetbeheer in korte tijd € 1800,- weten te sparen. Het reclasseringstoezicht verloop goed, aldus een verklaring van de reclassering, waarbij afspraken goed worden nagekomen en waarbij schuldenaar zich beleefd en meewerkend opstelt. Datzelfde wordt verklaard door de medewerker van Palier. En het Hof vindt het ook van belang dat beide vormen van begeleiding nog een poos zullen doorlopen, ook gedurende een schuldsaneringsprocedure. Het Hof oordeelt dat al deze positieve ontwikkelingen doorslaggevend dienen te zijn.

Het leven weer op de rails: samen een sterk betoog maken
Het is een mooi succes als een debiteur die op het eerste gezicht weinig kans maakt op een schuldsaneringstraject, toch door de rechter toegelaten wordt. Dat is mogelijk doordat er niet volstaan wordt met een algemeen beroep op clementie via de hardheidsclausule, maar echt werk wordt gemaakt van het dossier en de begeleiding concreet wordt gemaakt. De goede samenwerking met andere hulpverlenende organisaties is onontbeerlijk om duidelijk te maken hoe het leven weer op de rails is gebracht. Zo wordt een moeilijk verhaal toch een goed verhaal.

Bron: Gerechtshof Den Haag 29 augustus 2017, Zaaknr. 200.215.210/01

 

Convenant uitgebreid: Leden BBW en BPBI ook vaste partners in minnelijk traject met CJIB

Kern:
Na een succesvolle pilot tussen het CJIB en Schuldbemiddeling Nederland, kwam het CJIB met de BBW en BPBI tot een intentieverklaring. Met deze intentieverklaring worden aan bewindvoerders dezelfde mogelijkheden geboden als aan NVVK-leden, zodat zij een belangrijke rol kunnen vervullen bij het oplossen van problematische schulden.

Bewindvoerders winnen terrein
Het is alweer ruim een jaar geleden: Op 21 maart 2017 ondertekenden het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), de Beroepsvereniging Bewindvoerders WSNP (BBW) en de Branchevereniging voor Professionele Bewindvoerders (BPBI) een intentieverklaring. Hiermee werd het CJIB-convenant, zoals dat in 2008 was overeengekomen met de branchevereniging voor schuldhulpverlening (NVVK), ook opengesteld voor leden van deze beide beroepsverenigingen. Een goede zaak dat deze afspraken verbreed werden. Van oudsher mochten alleen de gemeenten (veelal NVVK-lid) schuldbemiddelingen opstarten toen het verbod op schuldbemiddeling (artikel 48 Wck) nog erg strikt geformuleerd was. In de loop der jaren is daar een aanvulling op gekomen, waardoor bijvoorbeeld ook beschermingsbewindvoerders en bewindvoerders Wsnp mochten gaan bemiddelen. Het leidde echter tot een soort “voorsprong” van de NVVK-leden in bekendheid bij schuldeisers en insolventierechters. De gedragscode werd als “de norm” gezien, en dat stelde de NVVK in staat om met tal van partijen te komen tot convenanten, waaronder ook met het CJIB. Waardevolle afspraken in de schuldenproblematiek, dat zeker, maar het had ook weer de keerzijde dat het voor veel schuldeisers een reden was om het standpunt aan te nemen dat wanneer men geen NVVK-lid is, niet meegewerkt wordt aan een schuldbemiddeling. Er lag immers een convenant met de NVVK-leden, niet met anderen. En onbekend maakt vaak onbemind.

Voortrekkersrol SBN
Schuldbemiddeling Nederland is geen lid van de NVVK, waardoor schuldeisers met regelmaat op die grond weigerden mee te werken. Het CJIB was één van die ‘dwarsliggers’. Als professionele partij weet SBN wanneer vasthoudendheid gesteund door expertise helpt. SBN diende aan de lopende band verzoeken dwangakkoord in. Tegen het CJIB, maar ook tegen DUO, Evides, Eneco enzovoorts.. Een NVVK-lidmaatschap kan namelijk geen vereiste zijn om tot een deugdelijke bemiddeling te komen, zo oordeelden ook de insolventierechters, bijvoorbeeld in Rb. Rotterdam 11 februari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2342. Onlangs nog werd ook de gemeente Rotterdam op deze grond (“lidmaatschap NVVK niet vereist bij verzoek ex artikel 287a Fw”) gedwongen om mee te werken aan een door SBN voorgelegd dwangakkoord (Rb. Rotterdam 2 oktober 2017, Rek.nr. C/10/530019/FTEA17/1344). Er werden zelfs vragen over de houding van het CJIB in de Tweede Kamer gesteld: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20152016-2737.html

Zakelijke afspraken werken beter
Al die dwangakkoorden hebben schuldeisers, zeker de “repeat players” waaronder het CJIB, aan het denken gezet. Door een aantal schuldeisers is besloten te komen tot erkenning van SBN, bijvoorbeeld door DUO. Anderen kwamen liever tot een convenant, bijvoorbeeld Evides Waterbedrijf. Het CJIB besloot zich open te stellen voor bemiddelingen door Wsnp-bewindvoerders, maar wilde daartoe wel eerst een pilot. Besloten is om te komen tot een pilot met SBN, waarbij SBN de schuldbemiddelingen uitvoerde en het CJIB de invordering bevroor. Hierbij werden deurwaarderdossiers teruggehaald, het dwangmiddel gijzeling was niet langer van toepassing en, als belangrijkste resultaat ook voor de klant, er werd akkoord gegeven op bemiddelingsvoorstellen. Bij tussentijdse evaluaties was men over en weer louter positief. Het werkt van twee kanten: Bemiddelingen werden door SBN deugdelijk uitgevoerd en het CJIB werd daarin tijdig bericht over de stand van zaken. En omgekeerd: Het CJIB gaf steeds tijdig reactie op verzoeken tot saldo-opgave en betalingsvoorstellen. Verder werd trouw het incassoproces bevroren zodra een envelop van SBN op de deurmat viel.

Maatschappelijke verantwoorde incasso
De nieuwe werkafspraken zijn niet alleen pragmatisch (tijd- en kostenbesparend) maar ook heel erg nodig gebleken. In toenemende mate zagen bewindvoerders, hetzij in de schuldsanering hetzij in het beschermingsbewind, dat hun cliënten in een problematische schuldensituatie worden geconfronteerd met oplopende boetes en incassotrajecten die zij niet zelfstandig tot een oplossing kunnen brengen. De verhogingen belopen vaak een veelvoud van de oorspronkelijke schuld, en dat bij iemand die die oorspronkelijke schuld al niet betalen kon. Dit leidt tot tal van maatschappelijke problemen zoals uitzichtloosheid, lethargie, armoede, sociale uitsluiting en gezondheidsklachten. De inzichten hierover zijn gelukkig ook bij de overheid zelf aan het kantelen geslagen. Vanuit het oogpunt dat de overheid op een maatschappelijke en verantwoorde manier vorderingen wil innen, zoals verwoord in de Rijksincassovisie, is het CJIB met de beide beroepsverenigingen het convenant aangegaan. Deze overeenkomst houdt in dat bewindvoerders voor hun cliënten op grond van de minnelijke schuldhulpverlening een schuldenregeling kunnen aanvragen bij het CJIB. De schuldenregeling kan worden aangevraagd voor verkeersboetes en voor andere justitiële vorderingen, zolang die niet binnen de looptijd van het minnelijke traject verjaren. Een schadevergoedingsmaatregel is echter in zijn geheel uitgesloten van een minnelijk traject. Het CJIB int die tenslotte voor het slachtoffer.

Expertise bewindvoering naar minnelijk traject
Uiteindelijk hebben de positieve ervaringen dus geleid tot de uitbreiding van het convenant, onder het motto: “Onbekend maakt onbemind, maar omgang maakt een nieuwe vrind”. Het lag in feite ook voor de hand om deze afgebakende beroepsgroepen ook op het convenant aan te sluiten. Beide typen bewindvoerder zijn onderhevig aan wettelijke kwaliteitsregels, die worden gehandhaafd door respectievelijk het Bureau Wsnp van de Raad voor Rechtsbijstand en door het Landelijk bureau Curatele, Beschermingsbewind en Mentorschap, beide gevestigd te Den Bosch. Bovendien worden beide typen bewindvoerder door een rechter benoemd en gecontroleerd, en hebben een specifieke expertise in het veld van schulden en incasso. Dit vormde kennelijk voor het CJIB een voldoende waarborg. Met deze intentieverklaring worden aan bewindvoerders dezelfde mogelijkheden geboden als aan NVVK-leden. Met hun specifieke expertise over de persoon en omstandigheden van de debiteur en hun juridische, financiële en administratieve vaardigheden kunnen bewindvoerders een belangrijke rol vervullen bij het oplossen van problemen met schulden. Niet alleen in het wettelijk traject, maar ook in het minnelijk traject. Langs de weg van deze zelfregulering wordt daarnaast ook een betere en snellere aansluiting bereikt tussen de minnelijke en de gerechtelijke weg. Het valt te hopen dat in de nabije toekomst meer van dit soort initiatieven zullen ontstaan tussen de verschillende disciplines in het veld van de schuldenproblematiek. Dat zou ook mooi aansluiten bij de “brede schulden aanpak” die het huidige kabinet voorstaat.

 

Dwangakkoord toegewezen: ondernemer versus grootste weigeraar

Kern:
Een dwangakkoord kan tegen de grootse schuldeiser worden opgelegd. Ook wanneer het, zoals in casu aan de orde,  een zelfstandig ondernemer betreft waarbij meer schuldeisers gemotiveerd weigeren. Het toekomstperspectief, specifiek de (on)zekerheid daarvan, acht de rechtbank hierin als zwaarwegende factor.

Vijf weigeraars met een groot aandeel in de schuldenlast.
Schuldenaar had een kapperszaak en in totaal 22 schuldeisers die in totaal een bedrag van € 155.030,- te vorderen hadden. Hij kon een minnelijke schuldregeling aanbieden die inhield dat aan de enige preferente schuldeiser een percentage van 26% werd aangeboden, en 13% aan de concurrente schuldeisers, tegen finale kwijting. vijf weigerende schuldeisers: het CAK, de Gemeente Rotterdam, de Volkswagen bank, Hoist Finance en T-Mobile. Hoist was ook nog schuldeiser van zijn partner. Het aangeboden minnelijke akkoord was gebaseerd op de NVVK-norm en voorzag in de uitkering van een prognosepercentage, gebaseerd op de afloscapaciteit die hij had op basis van zijn werk als zelfstandig ondernemer. De afloscapaciteit werd vermeerderd met de opbrengst uit zijn woning, welke tijdens het minnelijk traject werd verkocht ten behoeve van zijn schuldeisers. Sinds de aanmelding bij de schuldhulpverlening had schuldenaar geen nieuwe schulden of betalingsachterstanden meer laten ontstaan. Zeventien schuldeisers stemden wel in het aanbod, maar genoemde vijf schuldeisers niet. Deze vijf weigeraars hadden in totaal € 67.696,- van schuldenaar te vorderen en dat vertegenwoordigde ruim 43% van de totale schuldenlast.

Geen gemakkelijke casus.
De Rechtbank Rotterdam moest zich buigen over deze casus waarbij het aangeboden maar afgewezen minnelijke akkoord werd voorgelegd aan de Rechtbank om als een dwangakkoord te worden vastgesteld. Geen heel gemakkelijke casus, zo oordeelde ook de gemeente waar verzoeker zich een jaar eerder meldde. Een zelfstandig ondernemer, vermogensbestanddelen in de vorm van een woning en een auto, een complex schuldenpakket, enzovoorts. Vanuit daar werd hij namelijk doorverwezen naar een particuliere instantie.

Daarbij kwam nog de omstandigheid dat het niet slechts een, maar vijf weigeraars betrof die samen ook nog eens een substantieel aandeel in de schuldenberg van schuldenaar hadden. Een gerechtsdeurwaarderskantoor diende namens Hoist als enige een verweerschrift in. Ter zitting waren ook twee schuldhulpverleners aanwezig, werkzaam bij Schuldbemiddeling Nederland. Hoist vond dat een minnelijke regeling minder garanties en zekerheden biedt dan de wettelijke schuldsaneringsregeling, en ook minder uitzicht op een gunstiger resultaat dan de schuldsanering. Hoist vond verder dat een dwangakkoord in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid, gelet op de langlopende verplichtingen die schuldenaar was aangegaan en de welwillende opstelling van Hoist. De Rotterdamse rechtbank ging in deze stellingen niet mee.

“De Wsnp biedt nu eenmaal meer waarborgen”.
De Rechtbank stelt vast dat het minnelijke voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, namelijk de (overigens: niet-gemeentelijke) schuldhulpverlening. De Rechtbank vond dit voorstel goed en controleerbaar gedocumenteerd. Het minnelijk traject was uitgevoerd onder toezicht van een Wsnp-bewindvoerder, zo vervolgt de Rechtbank. Dat de wettelijke schuldsanering meer waarborgen biedt, is een opvatting die de Rechtbank niet deelt. Dat is in feite ook logisch, want anders zou men nooit tot een dwangakkoord kunnen komen: dan zou een schuldeiser altijd met recht kunnen aankoersen op het wettelijke traject. Omdat het nu eenmaal een uitgebreid geregelde wettelijke procedure is, geeft dat in theorie meer vastigheid, maar dat wil nog niet zeggen dat het daarom dus ook per definitie altijd gunstiger uitpakt. De essentie van het dwangakkoord is nu juist, dat in sommige gevallen – mits men dat goed op de bühne weet te brengen – een gedaan minnelijk voorstel objectief het maximaal haalbare blijkt, en dus een betere oplossing is dan het doorlopen van de wettelijke procedure van drie jaar. Dat sluit aan op de overweging van de Rechtbank, dat door de waarnemend Wsnp-bewindvoerder ter zitting is verklaard dat aan alle waarborgen is voldaan, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen.

Akkoordvoorstel is gunstiger dan een Wsnp.
De Rechtbank oordeelt dat de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat zal hebben voor de schuldeisers dan een schuldsaneringssituatie. Want dan komen het bewindvoerderssalaris en het griffierecht in mindering op de opbrengst. Heel belangrijk is ook dat in de Wsnp het niet (of nauwelijks) is toegestaan (zie artikel 311 Fw) om een onderneming te behouden – dus dan zal de onderneming van schuldenaar gestaakt moeten worden. Schuldenaar zal dan geen recht hebben op een bijstandsuitkering in verband met het inkomen van zijn partner, en zal op zoek moeten naar een fulltime baan (in loondienst) waarvan het onzeker is of hij die gaat vinden. Die onzekere toekomst is niet aantrekkelijk voor de schuldeisers, zo redeneert de Rechtbank. Het blijft ingewikkeld en in hoge mate afhankelijk van het concrete geval en de goede argumenten - De onderneming is immers meestal tegelijk de bron van de schulden als de mogelijke uitweg als bron van nieuwe inkomsten. Hoe dan ook is de conclusie van de Rotterdamse rechters dat de belangen van schuldenaar - die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen - en ook van de overige schuldeisers die wel hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van de vijf weigerende schuldeisers, en het verzoek dwangakkoord wordt dus toegewezen. Wat leek op een lastig verzoekschrift jegens veel grote weigerachtige crediteuren, wordt zo toch gehonoreerd.

Bron: Rechtbank Rotterdam 8 november 2017, Reknr. C/10/532558/FTEA17/1600

 

Dwangakkoord mogelijk bij slechts één enkele schuldeiser

Kern:
Een dwangakkoord kan ook worden opgelegd als een belanghebbende slechts één schuldeiser heeft, en deze ene schuldeiser weigert in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Maar het onredelijkheidsverwijt dat hij die schuldeiser dan wil maken maakt geen kans als de schuld een fraudeschuld is. Je zou kunnen zeggen dat dan de debiteur zelf ook onredelijk gehandeld heeft. In casu ging het om een hoger beroep door de gemeente tegen een in eerste aanleg toegewezen dwangakkoord. Belanghebbende had een omvangrijke fraudeschuld aan deze gemeente. De gemeente was ook haar enige schuldeiser.

Pluraliteit en ontvankelijkheid
Volgens vaste rechtspraak is voor de toegang tot de schuldsaneringsregeling het bestaan van pluraliteit van schuldeisers geen vereiste, aldus het Hof Arnhem-Leeuwarden. Anders dan de gemeente bepleit, is dit hof van oordeel dat een gedwongen schuldregeling ook kan worden opgelegd wanneer de schuldenaar slechts één crediteur heeft en deze enige crediteur weigert in te stemmen met de voorgestelde schuldregeling. Artikel 287a Fw heeft immers, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, te gelden als een alternatief voor de wettelijke schuldsanering zowel in de gevallen waarin toewijzing wel, als die waarin toewijzing tot de schuldsanering niet tot de mogelijkheden behoort. Hieruit volgt dat het verzoek ontvankelijk is, en dat het aankomt op een weging van belangen in het kader van de onevenredigheidstoets van art. 287a Fw, aldus het hof. Het is aan de schuldenaar om in het kader van een dwangakkoordverzoek specifieke feiten en omstandigheden te stellen en te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser, gelet op de wederzijdse belangen, in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen.

Oordeel Hof Arnhem-Leeuwarden.
Hoe pakt dit uit? Omdat er geen andere schuldeisers zijn worden in dit geval enkel de belangen van de schuldeiser en de schuldenaar tegen elkaar afgewogen. Het belang van de gemeente bij weigering is er onder meer in gelegen dat zij een maatschappelijke plicht tot incasso van haar fraudevordering op belanghebbende heeft, en zij is gehouden tot verantwoording van haar beleid. De gemeente voert aan dat het afzien van verdere incasso een (ongewenste) precedentwerking kan hebben voor vergelijkbare fraudegevallen. Het belang van de verzoekster is dat zij geen mogelijkheid heeft om de schuld via de geldende betalingsregeling van € 50,- per maand op enig moment gedurende haar leven af te lossen. Of het aanbod van mevrouw tot betaling van een bedrag van € 1.450,- tegen finale kwijting inderdaad het uiterste is waartoe zij financieel in staat is, vindt het hof niet doorslaggevend voor de toe- of afwijzing van het verzoek dwangakkoord. Het hof redeneert een andere richting op. De schuld aan de gemeente is ontstaan wegens ten onrechte ontvangen bijstand in de periode 2003-2010 en deze schuld bedroeg per december 2010 een bedrag van € 68.180,- (netto) en € 86.892,- (bruto). Gebleken is dat mevrouw in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht heeft verzwegen dat zij in die periode een gezamenlijk huishouding voerde met haar ex‑echtgenoot. De schuld is dus niet te goeder trouw ontstaan. Mevrouw heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen het terugvorderingsbesluit waardoor het besluit onherroepelijk is geworden en formele rechtskracht heeft gekregen. Daarmee staat in rechte vast dat zij gehouden is tot terugbetaling van het bedrag aan ten onrechte ontvangen bijstand.

Het bestaan van slechts één crediteur heeft onvermijdelijk grote invloed op de belangenafweging, waarbij het hof de verschillende wegingsfactoren opsomt. Tegenover (de belangen van) de weigerende schuldenaar staan immers geen (belangen van) overige met de schuldregeling instemmende crediteuren doch uitsluitend de belangen van de schuldenaar. Haar totale schuldenlast wordt gevormd door de schuld aan de gemeente als de weigerende schuldeiser en deze schuld ad € 83.169,- is aanzienlijk. De door mevrouw aangeboden schuldregeling betreft een relatief gering bedrag van € 1.450,- neerkomende op een (gering) percentage (1,74) van de vordering van de gemeente. Het hof is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat, gelet op de wederzijdse belangen, niet is komen vast te staan dat de gemeente in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Van de onevenredigheid tussen het belang van de gemeente bij de uitoefening van haar bevoegdheid tot weigering van instemming en het belang van de schuldenaar dat door die weigering wordt geschaad is onvoldoende gebleken. Hierbij speelt mee dat geen andere belangen kunnen worden meegewogen, dat het om een vaststaande fraudeschuld gaat waar een precedentgevaar dreigt, en dat het om een zeer gering percentageaanbod aan de enige (weigerende) crediteur gaat. De weging van deze belangen valt dus uit in het voordeel van de schuldeiser. Het dwangakkoord wordt afgewezen.

Tegenstrijdige vonnissen rechtbanken.
Rechtbanken blijken verschillend te denken over de vraag of een schuldenaar de rechter ook kan verzoeken om een dwangakkoord op te leggen in het geval dat er sprake is van slechts één schuldeiser. Het gekke is: In Den Haag is slechts één schuldeiser onvoldoende voor een kansrijk dwangakkoord, maar in Rotterdam kan ook bij één schuldeiser het verzoek dwangakkoord worden toegewezen. Het is het een of het ander: niet beide interpretaties van artikel 287a Fw kunnen tegelijk juist zijn. De Hoge Raad heeft zich over deze vraag nog niet expliciet kunnen uitlaten, wel over de verwante vraag of pluraliteit van schuldeisers vereist is bij een afwijzing (en indiening) van het gewone schuldsaneringsverzoek. Op die verwante vraag was het antwoord “nee”(HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7006, NJ 2003, 520): “Middel 2a verwijt het Hof uitgegaan te zijn van een onjuiste rechtsopvatting omdat, gelet op art. 288 lid 2, onder b, F. waar van "schulden" wordt gesproken, het niet te goeder trouw laten ontstaan van slechts één enkele schuld niet voldoende is voor de afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het middel faalt omdat het begrip "schulden" in genoemde bepaling moet worden verstaan als "één of meer schulden".” Maar goed, toen in 2003 bestond het dwangakkoord van artikel 287a Fw nog niet eens, dat kwam er pas door de wetswijziging op 1 januari 2008. Het wachten is op meer duidelijkheid van de Hoge Raad, mogelijk langs de weg van een prejudiciële vraag van een lagere rechter.

Bronnen:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2007 , en ook:
Rechtbank Den Haag, 22 augustus 2017, ECLI:NL:RBDH:2017:11632 (neen), en
Rechtbank Rotterdam, 26 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:7419 (ja).

 

Medewerking schuldenaar van belang voor succesvolle schuldhulpverlening

Kern:
Een debiteur behoort actief mee te werken om de slagingskans van een minnelijk schuldhulptraject te vergroten, net zoals in een schuldsaneringsprocedure. Men moet zich immers ook laten helpen en daar zelf iets aan willen bijdragen. Als een constructieve medewerking ontbreekt dan wordt iedere hulpverlening zinloos, zo blijkt uit een uitspraak van de Raad van State als hoogste bestuursrechter. Essentie is dat wie niet bereid is om in een instabiele situatie beschermingsbewind aan te vragen als ondersteunende maatregel, dat diegene uit de schuldhulpverlening mag worden verwijderd. De algemene medewerkingsplicht van artikel 7 Wgs houdt dus ook in dat de betrokkene zich inzet voor een flankerende aanvraag beschermingsbewind.

Onvoldoende nakoming inlichtingen- en medewerkingsplicht.
Bij besluit van 9 september 2014 heeft het dagelijks bestuur van de gemeente een aanvraag van schuldenaar om schuldhulpverlening afgewezen. De gemeente is een zgn. openbaar lichaam in de vorm van een gemeenschappelijke regeling van enkele gemeenten met als taak de uitvoering van wetten waaronder ook de Wgs. Het dagelijks bestuur is te vergelijken met een College van B&W (maar dan voor de uitvoering van specifieke regelingen). Bij besluit van 22 december 2014 heeft het bestuur het door schuldenaar gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Schuldenaar heeft volgens het bestuur zijn inlichtingenplicht en medewerkingsplicht geschonden door een aantal gedragingen: Bij zijn aanvraag voor schuldhulp deed schuldenaar een opgave (zonder bedragen te noemen) van een schuld bij het CJIB, de belastingdienst, het CVZ, de gerechtsdeurwaarder van de verhuurder en de gemeente. De bewijsstukken zijn compleet gemaakt door de beoogde beschermingsbewindvoerder. Tot februari 2014 werd de huur- en zorgtoeslag betaald aan schuldenaar zelf, ondanks herhaalde schriftelijke en mondelinge verzoeken over de noodzaak tot betaling op de nieuwe (schuldhulp)bankrekening. Na het aangaan van de overeenkomst ontstonden drie nieuwe niet saneerbare CJIB-vorderingen, en in de loop van het traject werd bekend dat er nog drie (oorspronkelijke) schuldeisers waren. Schuldenaar kwam afspraken niet na, hij vergat belangrijke zaken en hij was onvoldoende bereikbaar. Op 8 juni 2014 werd schuldenaar in hechtenis genomen in België. Hij heeft nooit melding gemaakt van dit feit. Schuldenaar verscheen ook niet op de afspraak om het verzoekschrift ter voorkoming van de huisontruiming te ondertekenen en te voorzien van relevante bijlagen.

Aanvraag beschermingsbewind niet doorgezet.
Gelet op de psychosociale situatie van schuldenaar, zijn problematische schuldensituatie, houding en gedrag heeft de gemeente hem verzocht een verzoek in te dienen tot beschermingsbewind. Een bewindvoerder is bereid geweest het beschermingsbewind op zich te nemen, maar zij heeft zich teruggetrokken omdat er onvoldoende draagkracht was voor het bewind. Ondanks herhaalde verzoeken heeft schuldenaar niet gezorgd voor een nieuwe beschermingsbewindvoerder. Dit betekent in de ogen van de gemeente dat een schuldhulptraject geen kans van slagen heeft. Daarnaast is er een tweede weigeringsgrond. Sinds 8 juni 2014 ontvangt schuldenaar geen uitkering meer op grond van de Wet werk en bijstand. Bovendien is zijn woonsituatie, door de ontruiming van zijn woning, thans onduidelijk. Dit betekent dat schuldenaar geen stabiel inkomen en geen stabiele woonsituatie heeft. Op grond van de op de Wgs gestoelde ‘Beleidsregel integrale schuldhulpverlening de gemeente’ zijn dit redenen om de schuldhulp te weigeren. Bij uitspraak van 8 april 2016 heeft de rechtbank Midden-Nederland (sector bestuursrecht) het door schuldenaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Raad van State en de artikelen 6 en 7 Wgs
Schuldenaar vindt dat de rechtbank had moeten oordelen dat het bestuur gehouden was hem op grond van de hardheidsclausule van de Beleidsregel wel schuldhulpverlening te bieden, nu er wel relevante bijzondere omstandigheden aanwezig waren. Hij voert aan dat hij door de detentie in België in een crisissituatie is geraakt, aangezien daardoor zijn uitkering is stopgezet en zijn woning is ontruimd waardoor hij dakloos is geworden. Daarnaast is zijn psychiatrische toestand door de detentie sterk verslechterd. De Raad van State refereert aan artikel 6 Wgs, volgens welke een schuldenaar aan het college op verzoek of “onverwijld uit eigen beweging” (vlot & spontaan) mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op de schuldhulp. Ook relevant is hier artikel 7, waarmee de schuldenaar verplicht is om aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. In de gemeentelijke beleidsregels schuldhulpverlening is opgenomen dat het dagelijks bestuur kan besluiten tot beëindiging van de schuldhulp indien de inkomens-, woon- of leefsituatie van aanvrager dermate onzeker is dat schuldhulp (nog) niet mogelijk is. Het dagelijks bestuur kan in zeer bijzondere gevallen op grond van een hardheidsclausule gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid.

Marginale toetsing beëindiging schuldhulp en niet meewerken aan beschermingsbewind
Op 7 juni 2014 is schuldenaar wegens verdenking van poging tot diefstal uit een woning door de Belgische politie aangehouden en in hechtenis genomen. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen heeft schuldenaar bij vonnis van 25 augustus 2014 van de aanklacht vrijgesproken. Schuldenaar heeft de gemeente niet op de hoogte heeft gesteld van de aanhouding en detentie en is niet verschenen op een afspraak van 15 juli 2014. Hij heeft aangevoerd dat de detentie in België moet worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in de gemeentelijke beleidsregels. Dat schuldenaar de gemeente van zijn detentie niet op de hoogte heeft gesteld en wegens die detentie niet is verschenen op de afspraak, mocht de gemeente hem daarom niet tegenwerpen als schendingen van zijn inlichtingen- en medewerkingsplicht. In het (beëindigings)besluit van 22 december 2014 zijn echter ook andere gedragingen als redenen genoemd waarom schuldenaar zich niet aan zijn inlichtingenplicht en medewerkingsplicht heeft gehouden. Ter zitting heeft de gemeente toegelicht dat het ontbreken van een beschermingsbewind de belangrijkste reden was om de schuldhulp te beëindigen. Schuldenaar heeft dit standpunt van de gemeente in hoger beroep niet bestreden. Dit betekent dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het bestuur van de gemeente de schuldhulp van schuldenaar heeft kunnen beëindigen.

En stel dat het anders was gelopen en als schuldenaar wel braaf de aanvraag beschermingsbewind zou hebben doorgezet: dan was er dus onvoldoende reden geweest voor de gemeente om de minnelijke schuldhulp te mogen beëindigen. Maar iedereen in de praktijk weet dat een halfslachtig aangevraagd bewind (“omdat het nu eenmaal moet van de gemeente”) weer tot andere praktische problemen zal kunnen leiden.

Bron: Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:686

De visie van Schuldbemiddeling Nederland:
Schuldbemiddeling Nederland (h)erkent de stabiliserende werking van het beschermingsbewind. Beschermingsbewind vergroot de kans op een succesvol schuldhulpverleningstraject aanzienlijk. Voor mensen in het beschermingsbewind is daarom een efficiënt schuldbemiddelingstraject ingericht. Door directe communicatie met de beschermingsbewindvoerder, het elimineren van onnodige elementen in schuldbemiddelingstrajecten en korte doorlooptijden, worden cliënten door Schuldbemiddeling Nederland veelal vlot aan een schuldoplossing geholpen.